Wat maakt de Super Pacs zo giftig?

Politiek resultaat koop je op Capitol Hill

4 april 2012 - De Amerikaanse presidentsverkiezingen hebben een financiële wapenwedloop in gang gezet tussen bedrijven, donateurs en lobbyisten. Is de plutocratie nog af te wenden? ‘Washington is een stad van junkies, geld is de drug.’

Medium superpac 1

‘Onze Republikeinse Partij is in crisis. Ze moet bepalen of ze, zoals in de tijd van Lincoln, de partij van de gewone man zal zijn; de partij van vooruitgang en van sociale en industriële rechtvaardigheid. Óf dat ze de partij van privilege en special interest is (…), de partij die de belangen van Wall Street behartigt, van mensen die, door macht uit te oefenen op de dienaren van het volk, immuun blijven voor straf wanneer ze in de fout gaan, en privileges krijgen die ze niet verdienen.’

Deze woorden hadden tijdens de huidige Amerikaanse verkiezingscampagne gesproken kunnen worden, maar ze zijn van Teddy Roosevelt. De ex-president had zich in 1912 andermaal verkiesbaar gesteld omdat de kandidaat van zijn eigen partij, president Taft, in de zak zat van welgestelde heren. Ondanks eerdere pogingen de invloed van roofbaronnen en bankiers te breken, leken ze onder Taft machtiger dan ooit. Tot weerzin van de kiezer én een deel van Tafts collegae.

In de decennia nadien is gewerkt aan het indammen van ongewenste invloeden. In de jaren zeventig, na Watergate, was het systeem op zijn strengst. Alleen kleine donaties aan politieke campagnes waren toegestaan, bedrijven stonden vrijwel buitenspel, het aantal lobbyisten was miniem. Het ordinaire aannemen van bruine zakken met dollars was ancient history.

Geld heeft echter, net als water, de neiging steeds weer een weg naar binnen te vinden. Sinds de jaren negentig zijn beetje bij beetje de regels versoepeld, met de desastreuze uitspraak van het Hooggerechtshof in de zaak Citizens United versus Federal Election Commission (2010) als dieptepunt. Die uitspraak heeft een proces versneld dat van Amerika andermaal een verkapte plutocratie heeft gemaakt. Het feest van de democratie dat de presidentsverkiezing zou moeten zijn, dreigt uit te lopen op een wake.

De komende verkiezingen zullen de geschiedenis ingaan als die van de Super Pacs, nominaal onafhankelijke actiegroepen die astronomische sommen mobiliseren ter promotie van een kandidaat en, vooral, het besmeuren van diens tegenstanders. Deze nieuwste vorm van het political action committee heeft de lopende campagne gekaapt. Klassieke bijdragen, rechtstreeks aan kandidaten, zijn dankzij Citizens United minder aantrekkelijk geworden. Die gaan gepaard met restricties en vereisen openheid.

Arme John McCain en Russ Feingold. De Republikeinse en Democratische senatoren vochten jarenlang voor campaign finance reform. Zij loodsten in 2002 een wet door het Congres die de hoogte van contributies, en daarmee hun corrumperende werking, moest beperken. Onafhankelijke groepen werd verboden geld in politieke advertenties te steken binnen een gegeven periode vóór een primary of verkiezing. Bedrijven en vakbonden werden helemaal buitenspel gezet. Citizens United, waarmee gewoonlijk ook de gerelateerde uitspraak in de zaak SpeechNow.org versus Federal Election Commission (Fec) wordt begrepen, heeft die moeizaam geboekte winst tenietgedaan.

In Citizens United versus Fec bepaalde het Hooggerechtshof dat bedrijven en vakbonden, net als individuen, recht hebben op vrijheid van meningsuiting. (Ergo: ‘Corporations are people.’) SpeechNow.org versus Fec bepaalde dat die vrijheid van meningsuiting niet beperkt mag worden door een financiële drempel. (Vandaar: ‘Money equals speech.’) Het enige wat Super Pacs verboden is, is direct overleggen met de kandidaat. Het leidt tot curieuze poppenkast, want de meeste Super Pacs worden gerund door voormalige medewerkers en oude vrienden van kandidaten. Mitt Romney verklaarde geen weet te hebben van een bepaalde Super Pac-advertentie, om nog geen twee minuten later uitgebreid aan de inhoud te refereren.

Nu wordt er al decennia miljoenen gepompt in presidentsverkiezingen. Wat maakt deze Super Pacs zo veel giftiger?

Het schertsverbod op overleg en coördinatie ten spijt verhogen ze het risico op beïnvloeding. Het geld dat Barack Obama in 2008 bijeenbracht, zo’n vijfhonderd miljoen dollar, kwam van drie miljoen individuele donors. Gemiddeld heb je het dan over 166 dollar per donateur – niet een bedrag waarvoor je het luisterend oor van de president koopt. Meer dan negentig procent van de individuele giften aan Super Pacs bestaat uit giften groter dan tienduizend dollar. Tot eind 2011 omvatten de Super Pac-miljoenen, zo berekende onderzoeks- en adviesorganisatie Demos, donaties van slechts 726 individuen. Dat zijn er 23 op elke tien miljoen burgers. Zo’n 35 superrijken schonken meer dan een miljoen dollar per hoofd.

Daarnaast krijgen Super Pacs miljoenen van een handvol bedrijven en non-profitorganisaties die groot belang hebben bij het beleid. Ruim zes procent van het Super Pac-geld is helemaal niet te traceren – het komt binnen via complexe transacties met brievenbusfirma’s, andere Super Pacs en zogeheten 501©(4)s, een vorm van civiele non-profitorganisatie die is vrijgesteld van het openbaren van donors. Naarmate de verkiezingen dichterbij komen, neemt de hoeveelheid 501©(4)-geld absoluut en in verhouding tot andere donaties toe. Dat zou elke democraat zorgen moeten baren.

Het resultaat is dat er veel meer geld in politieke campagnes wordt gestoken en dat een relatief kleine groep donors het grootste deel van dat geld opbrengt. De kandidaten begrijpen wat daarvoor wordt terugverwacht. Toen Newt Gingrich’s Super Pac Winning Our Future vrijwel bankroet was, stortte de bevriende casinomagnaat Sheldon Adelson tien miljoen dollar in de kas. Prompt begon Gingrich erop te hameren dat de Amerikaanse ambassade in Israël naar Jeruzalem moest worden verhuisd – een van Adelsons stokpaardjes.

De campagne van Rick Santorum werd op soortgelijke wijze in leven gehouden door de miljardair Foster Friess, terwijl het zich voor conservatieve doelen inzettende Americans for Prosperity wordt gefinancierd door de gebroeders Koch. Zij waren een drijvende kracht achter de overname van het Huis van Afgevaardigden door de Republikeinen bij de midterms van 2010. Hun einddoel: Obama uit het Witte Huis verjagen en de weg vrijmaken voor beleid dat Koch Industries (nog) gunstiger gezind is: lagere belasting op winst en kapitaal, soepeler milieuregels, een veel kleinere overheid en een darwinistisch sociaal bestel. De gemiddelde kiezer is veel gematigder, maar die heeft zelden miljoenen op de plank liggen om te investeren in politieke spots. Super Pacs zorgen dus voor een vertekening van het discours, in het voordeel van de belangen van welgestelden.

Maar de Super Pacs zijn verre van het enige probleem. Ze zijn slechts de meest zichtbare uitwas van de vervlechting van geld en politiek, die vooral sinds de jaren negentig problematisch is geworden.

Lawrence Lessig, directeur van de Edmond J. Safra Foundation Center for Ethics aan Harvard, ontleedt in zijn ontluisterende boek Republic, Lost (2011) het effect dat donaties en lobbyisten hebben op het Amerikaanse politieke systeem. Wat betekent het voor het vertrouwen dat burgers hebben in de volksvertegenwoordiging? En wat betekent het voor de politieke agenda?

Lessig gelooft niet dat er zozeer sprake is van klassieke corruptie – het direct betalen voor een politieke dienst. Hij spreekt van dependency corruption, een buigzaamheid veroorzaakt door financiële afhankelijkheid. Het moderne Washington, betoogt hij, is een stad van junkies, en geld is de drug.

Let wel, het betreft slechts ten dele ordinaire hebzucht. Sinds de jaren tachtig zijn politieke campagnes steeds duurder geworden, waardoor politici voor hun herverkiezing steeds grotere sommen nodig hebben. Niet alleen om een campagne te betalen, maar ook om mogelijke rivalen af te schrikken om het tegen ze op te nemen. De opkomst van televisie als (prijzig) campagne-instrument heeft de kosten opgedreven. Belangrijker: politici zitten steeds langer, ja, permanent, in de verkiezingsmodus, vooral omdat het politieke landschap sinds Reagan wezenlijk veranderd is. Waar het Congres vanaf de jaren dertig Democratisch was – met slechts een handvol, zeer kortdurende meerderheden voor Republikeinen – is het Congres de laatste decennia in play. Sinds de eerste termijn van Clinton is de meerderheid vaker verschoven dan in zestig jaar ervoor. De enorme politieke winst die te behalen valt, ook ten gunste van financiers, heeft een financiële wapenwedloop in gang gezet.

Via bijdragen aan campagnes is een economie van invloed ontstaan. Congresleden zijn dertig procent tot soms wel zeventig procent van hun tijd bezig met fondsenwerving, grotendeels door potentiële donors telefonisch te woord te staan (‘Dialing for dollars’). Strafbare één op één-beloften worden nauwelijks gedaan – kandidaten veranderen al op voorhand van vorm en nemen een positie in die bijdragen kan losweken (‘Lean to the green’). De vaak verfoeide maar nauwelijks te beteugelen earmarks, niet-gerelateerde extraatjes die aan wetsvoorstellen worden geplakt, zijn daarvan het gevolg. Een heel leger lobbyisten helpt bij het masseren van het wetgevende proces.

Lobbyisten zijn niet nieuw – het woord komt van de informele bijeenkomsten die president Grant hield in de lobby van het Willard Hotel – maar nooit waren ze met zoveel. In 1971 waren minder dan tweehonderd lobbyisten actief in D.C., momenteel staan er zo’n veertienduizend geregistreerd. Lobbyisten hebben een kwalijke naam, maar dat is niet helemaal terecht. De meesten zijn niet bezig tegenstanders met douceurtjes voor hun zaak te winnen, maar juist hun natuurlijke medestanders van inhoudelijke munitie te voorzien. In die zin zijn het een soort externe beleidsmedewerkers. Maar ze vormen ook de schakel tussen een special interest, die gunsten wenst, en politici, die campagnegeld nodig hebben. Lobbyen is lucratief werk – zozeer dat menig Congreslid de politiek slechts als opstapje ziet naar ‘K Street’.

Al dat geld ondermijnt het vertrouwen in politieke vertegenwoordigers, of dat nu terecht is of niet. Zodra geld een rol speelt in besluitvorming of het bepalen van de agenda, gaan we automatisch uit van het ergste. Lessig omschrijft de tragedie als volgt: ‘1. We hebben een gezelschap goedwillende zielen die afhankelijk zijn geworden op een manier die de democratie verzwakt, en 2. We hebben een natie van goedwillende zielen die die afhankelijkheid herkennen en direct het ergste aannemen.’ Meer dan tweederde van de Amerikanen, ongeacht politieke kleur, gelooft dat resultaten op Capitol Hill gekocht kunnen worden. Een direct causaal verband tussen bijdragen en beleid is lastig aan te tonen, maar statistisch is dat verband er wel. Tussen 1998 en 2008 stak de financiële sector 1,7 miljard dollar in verkiezingscampagnes en 3,4 miljard in lobby-activiteiten, meer dan de bijdragen van bedrijven in de gezondheidszorg, defensie en telecom bij elkaar opgeteld. Daarmee is financiële deregulering nog niet ‘gekocht’, want de ideologie was wijdverspreid, ook onder economen die niet werden getrakteerd door de sector. Maar, zo vraagt Lessig zich af, zou de ideologie zo veel politiek succes hebben gehad als de sector niet met geld had lopen strooien in Washington? Natuurlijk niet.

De politieke agenda reflecteert niet de prioriteiten van de bevolking, maar die van rijke donateurs, grote bedrijven en draagkrachtige vakbonden, die in de eerste plaats toegang kopen. Geld heeft een andere politieke uitkijk dan de gemiddelde burger. Het is economisch conservatiever, pro belastingverlaging en anti regulering. Overwerkte Congresleden – al dat fondsenwerven! – gaan eerder met een door lobbyisten voorgekookt verhaal op pad dan met een verhaal dat ze zelf, met hun te kleine en onderbetaalde staf, in elkaar hebben moeten schroeven. Omdat het meeste geld te halen valt bij activistische groepen wordt Washington bovendien gedwongen tot radicalisering en polarisering. Dit alles ondermijnt het principe van one man, one vote.

Door de hoge kosten van campagnes is de Amerikaanse politiek onvermijdelijk a rich man’s game geworden. Alle presidentskandidaten zijn multimiljonairs. Dat is niet per se omdat ze eigen geld kunnen gebruiken – hoewel het niet ongebruikelijk is dat kandidaten grote sommen aan de eigen campagne ‘lenen’. Rijke kandidaten hebben simpelweg meer draagkrachtige donateurs in hun netwerk. Bovendien geven die donateurs liever aan kandidaten die hun wereldbeeld delen en dezelfde belangen hebben. Ongeveer de helft van de Congresleden is miljonair, een percentage dat stijgt. Vrijwel alle senatoren verlaagden substantieel de eigen belastingdruk met het goedkeuren van de Bush Tax Cuts. En natuurlijk de belastingdruk van hun donors.

Lessig wijst er, zonder leedvermaak, op dat zelfs de gever slachtoffer is van het systeem. Die moet blijven investeren, verslaafd aan de verkregen dienstverlening. Sterker: er zijn allerlei voorzieningen die periodiek verlopen, ongeacht hun functionaliteit (‘sunsetting’). Dat geeft politici een instrument om uit hetzelfde onderwerp steeds weer geld te trekken. Voor lobbyende firma’s en belangengroepen is het riskant te gokken op één partij. Velen geven aan beide, om de kansen te spreiden. Het is alsof je als restauranthouder veiligheidsgeld overhandigt aan niet één maar twee criminele organisaties.

Is de plutocratie nog af te wenden? Er wordt in gespecialiseerde kringen wel over het probleem gesproken, maar de reguliere media hebben vooral oog voor het politieke circus: de dagkoersen, het moddergooien, de debatten. De enigen die zich consequent over de invloed van geld druk lijken te maken zijn de comedians Jon Stewart en Stephen Colbert. Colbert begon zelfs zijn eigen Super Pac, om de idiotie van Citizens United aan te tonen.

Natuurlijk, financiële structuren zijn niet een sexy onderwerp. Maar media hebben ook geen belang bij het beteugelen van politiek geld. De enorme explosie aan fondsen heeft geleid tot excessieve media-uitgaven. Waar in het verleden campagnes kortdurende affaires waren, verkeren de Republikeinen en Democraten nu permanent in campagnemodus – met een absurde piek in de laatste twaalf maanden van presidentiële cycli. Honderden miljoenen worden besteed aan televisiespots, voor vele zenders een financiële injectie die van levensbelang is. Mitt Romney’s Super Pac Restore Our Future kocht voor de voorverkiezing in Florida ruimte voor twaalfduizend spotjes. Het verklaart waarom sommige staten hun primaries graag naar voren willen halen. Ze willen niet alleen, zoals ze zeggen, dat hun burgers een grotere impact op de race hebben; die impact vertaalt zich direct naar economische activiteit, omdat kandidaten een groter deel van hun budget in die vroege staten pompen. Ook voor de media geldt: junkiegedrag.

Zo bestendig je het systeem. Zoals de dichter Charles Simic schreef: ‘De ideale burger voor een politiek corrupte staat, zoals die waarin we nu leven, is een goedgelovige sul die de waarheid niet van de bullshit kan onderscheiden. (…) Waar ter wereld zou een president die grote banken van de ondergang heeft gered met belastinggeld, om zijn burgers vervolgens op te zadelen met twaalf biljoen dollar aan verloren investeringen, pensioenen en teloorgegane woningwaarde, voor socialist worden uitgemaakt?’

Niet iedereen is zo pessimistisch. Elizabeth Drew merkte in The New York Review of Books op dat burgers rusteloos zijn. Er is een besef gegroeid, zeker na de bailout van Wall Street, dat er een klassenmaatschappij is ontstaan met een zichzelf versterkende ongelijkheid. Drew vraagt zich af of verkiezingen die onderworpen zijn aan het eigenbelang van grote bedrijven nog door het publiek geaccepteerd zullen worden. Getuige de historisch lage waarderingscijfers voor het Congres heeft Drew een punt. De vraag is echter of het systeem van binnenuit te veranderen valt. Kan een hervormer bovendrijven zonder zichzelf medeplichtig te maken?

President Obama heeft zich altijd uitgesproken tegen Super Pacs. Niettemin heeft hij begin februari Democraten opgeroepen fondsen te gaan werven voor Priorities USA, zijn eigen Super Pac. Hypocriet of noodzakelijk? Obama’s hoop is deze verkiezingen te winnen met de huidige spelregels en in zijn tweede termijn de regels te veranderen. Dat kan Obama echter niet alleen – zeker niet wanneer hij aan een grondwettelijk amendement denkt dat Citizens United kan ondervangen.

Maar ook andere, meer bescheiden maatregelen – gericht op toezicht en openheid – vergen steun van het Congres, waar vrijwel iedereen voor herverkiezing afhankelijk is van de bijdrage van special interests. Hervormers houden zich vast aan de gedachte dat sommige zittende Congresleden minder goed in staat zullen blijken geld te harken dan rivalen die in de coulissen worden klaargestoomd. Denk dan aan langzittende, gematigde Republikeinen die de hete adem van Tea Party-kandidaten voelen. Mogelijk gaan deze afgevaardigden en senatoren bewegen – uit angst, niet uit schaamte. Maar hoe reëel is die gedachte? Congresleden hebben de beste instrumenten om ‘te melken’. En verwacht evenmin iets van een Derde Partij of een onafhankelijke presidentskandidaat. Hoe groter de rol van geld wordt, hoe groter de opgetuigde infrastructuur voor fondsenwerving, en hoe hoger de drempel om in te breken in het systeem.

De kansen om op termijn Citizens United via een nieuwe uitspraak van het Hooggerechtshof uit te schakelen zijn beter áls Obama herkozen wordt. De twee oudste leden van het Hof zijn door Ronald Reagan aangesteld: de ultraconservatieve Antonin Scalia (76) en de conservatieve Anthony Kennedy (75). Mocht een van hen, of mochten beiden, in een volgende regeerperiode overlijden of afstand doen van zijn zetel, dan heeft Obama de mogelijkheid de politieke kleur van het Hof te veranderen.

Andere voorstellen raken niet aan de kern. Ook Lessigs observatie niet dat de bescheiden salariëring van volksvertegenwoordigers en stafleden de gevoeligheid voor geld van buiten verhoogt. Een fikse opslag klinkt logisch, maar de discrepantie tussen salaris en het te behalen gewin is dusdanig dat het weinig zal uitmaken. Let wel: er wordt in 2012 een miljard gespendeerd om een baan te krijgen die vierhonderdduizend dollar betaalt. De schaduweconomie van Washington verklaart waarom. De voortgaande uitverkoop van de democratie zou in 2012 hét belangrijkste verkiezingsthema moeten zijn, omdat vrijwel elk ander thema – economie, belastingen, gezondheidszorg, energiepolitiek – ermee verweven is. Maar zolang kiezers onvoldoende geïnformeerd zijn, erom lachen, de schouders erover ophalen of door fatalisme bevangen zijn, zal er niets veranderen. Ze zullen zich, net als in 1912, boos moeten maken én naar die boosheid moeten handelen. Eerder zal het wassende water van de plutocratie niet worden ingedamd.