De onderklasse en de nieuwe moraal

Politiek vingertje

Was de onderklasse in de jaren ’80 nog vooral slachtoffer van economische omstandigheden, nu is het de cultuur van de onderklasse die als oorzaak van alle problemen wordt gezien. Met als gevolg: de terugkeer van de moraliserende overheid.

Het nieuwe moralisme lijkt samen te gaan met een fascinatie voor hufters en asocialen. Uit onderzoek van Motivaction blijkt dat 85 procent van de Nederlanders het heeft gehad met de toegenomen hufterigheid in de maatschappij. In de media wordt een duister beeld geschetst van een samenleving in moreel verval, waarop meestal aanbevelingen volgen voor meer dwingende maatregelen. Een van de terugkerende begrippen in deze discussie is het woord onderklasse. Dat is verworden tot een containerbegrip voor sociaal onaangepasten; van hufters, Tokkies en Marokkaanse straatterroristen tot Lonsdale-jongeren en Antillianen.
Die morele paniek is niet nieuw. Het afgeven op asocialen past in een lange traditie van morele paniek die haar sporen heeft nagelaten in de Nederlandse taal: het schuim, gespuis, rapaille, droesem of sociaal uitvaagsel, onmaatschappelijken, paupers, schooiers en vagebonden. Zelfs Marx en Engels hadden geen goed woord over voor het lompenproletariaat, dat in Het Communistisch Manifest voor de ‘lijdelijke verrotting van de onderste lagen van de maatschappij’ wordt uitgemaakt. De huidige obsessie met hufters, Tokkies en Marokkaanse straatterroristen is zo bezien slechts een uitbreiding van het bestaande repertoire. Nieuw is dat met de introductie van het begrip onderklasse de focus steeds meer ligt op tekortkomingen in het gedrag en de cultuur van deze groepen in plaats van op sociaal-economische achterstanden.

Het was Paul Scheffer die in zijn inmiddels gecanoniseerde essay over het multiculturele drama in 2000 pleitte voor een moreel beschavingsoffensief voor de ‘etnische onderklasse’. De analyse van Scheffer, tezamen met het werk van de Engelse psychiater Dalrymple, die zich druk maakt over op straat spugende jongeren, vormde de opmaat voor het huidige debat over de Nederlandse onderklasse. Datzelfde debat werd in de jaren ’80 ook al gevoerd, maar langs andere lijnen. Toen was de onderklasse nog vooral slachtoffer van economische omstandigheden, van met name de afnemende werkgelegenheid in de industrie. Tegenwoordig is het de cultuur van de onderklasse die als oorzaak van alle problemen wordt gezien. Bij Scheffer is het de geïmporteerde Marokkaanse dorpscultuur. In het werk van Dalrymple staat de gedegenereerde onderkant van de (autochtone) Engelse arbeidersklasse centraal.
Voor sociologen is deze discussie één déjà-vu-ervaring. Zo’n twintig jaar geleden vond een vergelijkbare transformatie plaats in het debat over de onderklasse in de Verenigde Staten. De oorsprong van het woord onderklasse is te herleiden tot het werk van een Zweedse econoom, Gunnar Myrdal. Hij wees in 1962 op de postindustriële herstructurering van de Amerikaanse economie en de gevolgen daarvan voor de bevolking. Er dreigde volgens hem een onderklasse te ontstaan: ‘an unpriviliged class of unemployed, unemployables and underemployed who are more and more hopelessly set apart from the nation at large and do not share in its life, its ambitions and its achievements’.
Myrdal beschreef daarmee expliciet een economische tendens met sociale uitsluiting als gevolg en de onderklasse als lijdend voorwerp. Het bleef in de daaropvolgende decennia een van de belangrijkste onderwerpen voor sociologisch onderzoek en debat. Maar in de publieke beeldvorming zou de betekenis van het begrip radicaal veranderen.
Slechts enkele jaren na Myrdals oorspronkelijke verwoording van het begrip verkreeg de term een raciale connotatie. De focus op economische uitsluiting bleef. Dat veranderde toen conservatieve kringen begonnen te publiceren over de ‘gevaarlijke’ zwarte onderklasse. Het woord onderklasse werd in deze publicaties niet langer geassocieerd met economische uitsluiting, maar met het afwijkende gedrag van de zwarte armen. Opmerkelijk was de rol van de journalistiek. Die had een duidelijke voorkeur voor de gedragsmatige invulling van het probleem. Dat leende zich beter voor voyeuristische sfeerrapportages. De socioloog Herbert J. Gans concludeerde in de jaren negentig dan ook dat artikelen in Time Magazine en The New Yorker uiteindelijk bepalend zijn geweest voor de Amerikaanse beeldvorming over de onderklasse. Voor de sociologie was slechts een bijrol weggelegd.
De ‘welfare mom’ en de ‘gang member’ zijn symbool komen te staan voor een in werkelijkheid zeer gemengde groep mensen die zich in de marge van de samenleving bevindt. Het begrip onderklasse is moreel beladen geworden – eigen schuld dikke bult. Er kleven negatieve raciale associaties en pathologische implicaties aan. Niet voor niets keerden veel Amerikaanse sociologen in de jaren negentig het begrip compleet de rug toe.
Dat is geen misplaatste politieke correctheid. De Werdegang van het begrip onderklasse verschafte de ammunitie voor de Amerikaanse overheid om drastisch te korten op sociaal beleid. Daarin zou juist een oorzaak liggen van de ‘cultuur van armoede’ – lees: de problemen in Amerikaanse achterstandswijken. Het resultaat is bekend. Forse bezuinigingen op de sociale zekerheid, het onderwijs, de gezondheidszorg en huisvesting hebben, in combinatie met de voortrekkersrol van politie en gevangeniswezen bij de aanpak van stedelijke armen, slechts geleid tot verdere marginalisering. En tot de grootste gevangenispopulatie ter wereld.

Hoe verwarrend het begrip onderklasse is, bleek recentelijk bij een debat hierover in Felix Meritis. De pvda ging bij monde van Henriëtte Hamer uit van de klassieke definitie. Ze sprak over sociale uitsluiting en gaf af op het neoliberalisme. Mark Rutte van de vvd droeg daarentegen juist minder sociaal beleid en hardere straffen aan als oplossing voor mensen die ‘zelf kiezen voor een plek aan de zijlijn’.
Het is een passende illustratie bij de constatering van de Franse socioloog Loic Wacquant dat de Amerikaanse beeldvorming over de onderklasse, als een hoofdzakelijk gedragsmatig probleem, overgevlogen is naar Europa. We beleven een herhaling van Amerikaanse discussies uit de jaren tachtig en negentig. Des te opvallender is het dat weinigen stilstaan bij het feit dat de Nederlandse realiteit dramatisch verschilt van de Amerikaanse. Er zijn in Nederland geen getto’s. Hier is evenmin een getroebleerd verleden van slavernij dat heeft geleid tot een beladen vorm van segregatie.
Op één punt zijn er wel grote, onvermoede overeenkomsten. Socioloog Gans meende in 1993 dat de metamorfose van het begrip onderklasse een typisch product is van de Amerikaanse situatie, waarin de journalistiek vooroploopt met het scheppen van nieuwe terminologie, van een ‘popsociologie’. Volgens Gans toont dat hoe beperkt de invloed is van professionele Amerikaanse sociale wetenschappers op de journalistiek. ‘Het is moeilijk voor te stellen’, schreef hij, ‘tenminste voor een Amerikaan, dat Europese journalisten zich vrij zouden voelen de betekenis te veranderen van een begrip uit de sociale wetenschappen dat is ontwikkeld door een wereldberoemde academicus als Myrdal.’
Een enigszins romantisch beeld van Europa kan Gans niet ontzegd worden. Zoals wel meer Amerikaanse trends gretig gekopieerd worden, is ook de popsociologie aan een opmars bezig. Journalistieke publicaties over de etnische onderklasse die het probleem reduceren tot cultuur, zoals Paul Scheffers Het land van aankomst, Fleur Jurgens’ Marokkanendrama, of Paul Andersson Toussaints Het smalle pad van de Marokkaan winnen het van langlopend sociologisch onderzoek dat een veel complexere realiteit schetst. Met name de stichting Politie en Wetenschap, opdrachtgever van het onderzoek van zowel Jurgens als Toussaint, speelt hierin een opmerkelijke rol. De stichting lijkt meer op te hebben met het motto van GeenStijl – tendentieus, ongefundeerd en nodeloos kwetsend – dan met wetenschappelijke motieven.
De impact is er niet minder om. Hoewel sociologen al langer stellen dat Marokkaanse jongeren vooral het product zijn van een westerse, stedelijke jeugdcultuur, reizen beleidsmakers in navolging van Scheffer nog steeds af naar Marokko in een poging de Berbersamenleving te begrijpen. De socioloog Engbersen, die sinds de jaren tachtig onderzoek doet naar de onderklasse, merkte onlangs op dat dit begrip steeds vaker wordt gebruikt om ‘de gedragsproblemen van deviante groepen te duiden’. Dat blijft niet zonder gevolgen, meent Engbersen. De politiek concentreert zich op gedragsproblemen in plaats van op sociaal-economische achterstanden. Dat heeft geleid tot een polariserend beleid van ‘sociale herovering’, in de ogen van Engbersen een welkome maar doorgeslagen terugkeer van de overheid in achterstandsgebieden. De retoriek van het nieuwe armoedebeleid met zijn stadsmariniers, interventieteams, task forces en safe havens is oorlogszuchtig. Met als gevolg dat het beleid op weinig sympathie kan rekenen bij de doelgroep. Sociaal beleid is oorlog geworden, aldus Engbersen.

In 2006 brachten onderzoekers een Handboek Moraliseren uit. Daarin probeerden ze richtlijnen te ontwikkelen voor een moraliserende overheid. Uit het boek bleek dat hulpverleners het vaak wel nodig vonden om te moraliseren, maar zich niet bevoegd achten zich met de privé-levens van hun klanten te bemoeien. Deze liberale opvatting verliest snel aan terrein. De moderne overheid schroomt niet langer tot ver achter de voordeur te reiken.
Hoe gevaarlijk is die terugkeer van een moraliserende overheid? Het onderklassendebat toont dat er niet zoiets is als een objectieve moraal. Er is geen sprake van een eenvoudige keuze vóór of tégen moraliseren. Het onderklassendebat leert ons dat moraliseren door en door politiek is. Zo spelen rechtse moralisten, zoals Bolkestein, Spruyt of Schoo, het klaar in één adem een ‘terugkeer van de moraal’ in de politiek te bepleiten en hun afschuw uit te spreken over de ‘moraliserende toon’ van de linkse kerk. Moraliseren we over bonussen van bankiers, over racisme en het asociale karakter van het neoliberalisme, of over Tokkies en werkloze allochtonen? Achter het opgeheven vingertje gaat bijna altijd een verborgen politieke agenda schuil. Dáárover zou de discussie over moraliseren moeten gaan.