Jesse Ventura van Minnesota

Politiek worstelaar

Gouverneur en ex-vechter Jesse Ventura van Minnesota heeft liberale én conservatieve standpunten en trekt daarmee brede groepen kiezers. «Mensen hebben het recht om dom te zijn.»

Om twee uur ’s middags heb ik een afspraak met Jesse «The Body» Ventura. In november 1999 is deze voormalige showworstelaar en Wrestlemania-artiest als onafhankelijk kandidaat en met grote meerderheid gekozen tot gouverneur van de Amerikaanse staat Minnesota. Sindsdien is hij niet meer weg te denken uit de Amerikaanse media: artikelen in Newsweek, Time en de Washington Post, een optreden in The David Letterman Show, een berucht interview in Playboy waarin hij er rond voor uitkwam niet gelovig te zijn en fundamentalistische gelovigen uitmaakte voor zwakzinnigen («weakminded people») die zich veel te veel met andermans zaken bemoeien. Een Amerikaans politicus die hardop zegt dat hij atheïst is? Dit is nog niet vaak vertoond. Veel Amerikanen zijn opgelucht dat er eindelijk iemand is die niet de hele tijd gods zegen afroept of beweert voor hen te zullen bidden. Een paar maanden geleden werd zelfs even gespeeld met de gedachte dat hij Ross Perot zou gaan opvolgen als onafhankelijk presidentskandidaat bij de verkiezingen van komende november. Het laatste nieuws is dat hij een deal heeft gesloten inzake een Broadway-musical over zijn leven. Ventura is in korte tijd dus uitgegroeid tot een echte mediaheld, een Amerikaans fenomeen dat de politiek plotseling weer leuk maakt. Hij lijkt een nieuw perspectief te bieden op wezenlijke politieke veranderingen, is iemand die de mensen aanspreekt met z'n rechttoe, rechtaan-statements en heeft gevoel voor humor. Maar er wordt zeker niet alleen gelachen. De serieuze politieke analist Gary Wills schreef eind 1999 in The New York Review of Books een uitvoerige en opvallend positieve beschouwing over Ventura’s carrière. Hij laat zien dat Ventura vooral populair is bij jongeren en nieuwe stemmers en dat hij niet alleen kiezers vond onder de groep spijtstemmers. Juist in de hogere middengroepen scoorde hij hoog, onder alle politieke groeperingen, veel hoger dan onder de laagstbetaalden die zich meestal van nature aangetrokken voelen tot populisten als Ventura. Wills vindt dit vooral opvallend omdat Ventura in zijn vaak geestige bestseller I Ain’t Got Time to Bleed ruimschoots te koop loopt met zijn op z'n minst uitbundig te noemen verleden. Hij schept uitvoerig op over de vrouwenversierderij in zijn jeugd, spreekt vrijuit over zijn drankgebruik als jongere en vertelt dat hij tijdens de Vietnamoorlog bij een afdeling commando’s van de Amerikaanse marine vocht. Hij zwijgt evenmin over de periode dat hij lid was van de Hell’s Angels-achtige motorclub The Mongols, of over de tijd waarin hij bij het showworstelen een beroemde en alom gehate bad guy was, die erin uitblonk achter de rug van de scheidsrechters zijn rivalen in de ogen te priemen of geweldig aan de haren te trekken om het daarna op een lopen te zetten. Als worstelaar nam hij de gedaante aan van een uit zijn krachten gegroeide, geperverteerde Beach Boy met lange, geblondeerde haren, die zich in krankzinnige capes met veren hulde. Op het eerste gezicht leek hij een mooie en sympathieke jongen, maar hij ontpopte zich dan razendsnel als vileine schurk die altijd geniepig was en liefst zo gauw mogelijk bescherming zocht buiten de ring. Hij was een zeer getalenteerde bad guy, daarover is iedereen het wel eens. Het worstelpubliek haatte hem hartgrondig en waardeerde hem dus enorm. Roland Barthes schrijft in zijn prachtige essay «De wereld van het worstelen» uit 1957 met veel liefde en empathie over het geweldige theatrale talent waarover zo'n slechterik moet beschikken wil hij goed overkomen. Een prutser wordt nu eenmaal maar al te snel doorzien, je moet werkelijk van heel goede huize komen om het publiek te kunnen overtuigen van de totale slechtheid van je karakter. Wills ziet veel in Ventura, hij neemt hem veel serieuzer dan eerdere rare vogels in de Amerikaanse politiek. Volgens hem is hij zo interessant omdat hij twee verschillende groepen kiezers in Amerika erg aanspreekt. Ventura neemt keiharde liberale standpunten in, verdedigt bijvoorbeeld de rechten van homo’s, pleit voor een goede abortusregeling, denkt voor Amerikaanse begrippen zeer genuanceerd over de doodstraf en is voor een zekere vorm van legalisering van softdrugs. Dit soort ideeën is in Amerika gewoonlijk ruim voldoende om in de politiek geen poot aan de grond te krijgen. Maar hij combineert ze met uitgesproken rechtse economische plannen die weer andere kiezers erg aanspreken: belastingverlaging, terugdringing van overheidsbemoeienis, geen inkomstenbelasting maar belasting op consumptie, geen sociale voorzieningen maar hoogstens een vangnet voor de ergste gevallen. Hij slaagt er dus in zowel ideeën van de Democratische als van de Republikeinse Partij voor zijn doelen te gebruiken. Democraten vindt hij maar big spenders en Republikeinen bemoeien zich veel te veel met wat mensen in hun slaapkamer doen. «If they want to be stupid, let them be stupid.» Dat is zo ongeveer de morele boodschap die hij uitdraagt. Ventura’s ideeën zijn zeker niet nieuw, ook Ross Perot probeerde Republikeinen en Democraten uit elkaar te spelen, maar wat veel Amerikanen bij Ventura vooral aanspreekt is diens ongegeneerde wijze van optreden. Hij drijft de spot met de Amerikaanse politieke mores, verschijnt in spijkerbroek op kantoor, praat enthousiast over «die goeie ouwe hippietijd», houdt van de Rolling Stones, maakt de ene verbale uitglijder na de andere en is zelden te betrappen op glibberige politieke verhalen waar kop noch staart aan zit. Wanneer Ventura spreekt, kun je nog eens lachen. Uit zijn bestseller komt een wat onbehouwen klant naar voren; ruwe bolster, blanke pit. Hij werd in 1951 als James George Janos in Minneapolis geboren, ging lange tijd jaloersmakend politiek incorrect door het leven en schaamde zich daar in het geheel niet voor. Prachtig zijn uiteraard de worstelverhalen en ontroerend is de foto van Ventura in een armelijke achtertuin - je kunt de hark zien staan - met zijn eerste zwaargewicht-kampioenschapsgordel om. Werkelijk hilarisch wordt zijn verhaal wanneer hij het heeft over de periode toen hij na zijn worstelcarrière in 1984 in de verslaggeverij van het worstelen belandde. Ik herinner me deze verslaggevers wel. Keurig in smoking geklede heren met glad achterovergekamde haren en kleine, louche snorren die de heren worstelaars voor de microfoon eens lekker lieten uitrazen en daarbij semi-misprijzend of geinig knipogend in de camera loerden. Ventura heb ik als verslaggever voor de televisie jammer genoeg nooit in actie gezien. Het televisiepubliek hield ook van hem als verslaggever, vertelt hij in zijn boek. Hij verdedigde altijd de kant van de bad guys. «They loved to hear me talk about how much ‘highly developed skill’ it took to pull someone’s hair and hide it from the referee. When the bad guys lost, I gave them great excuses. The people loved it! They’d say, 'Yeah! Goddamn, he’s right!'» Ventura is een grote man. Zijn geweldige kale hoofd imponeert, je kunt er een paar littekens op zien, hij draagt een snor en heeft een bril op. Tijdens het gesprek leunt hij meestal ontspannen achterover. Hij wiebelt heen en weer als het gesprek hem wat verveelt, maar schiet naar voren wanneer het hem interesseert. Links achter hem staan tegen de muur drie vlaggen waaronder uiteraard de Amerikaanse, rechts hangen foto’s van zijn gezin. Op het bureau staan een paar bronzen beelden. Een ervan moet het cadeau zijn dat hij van Arnold Schwarzenegger kreeg bij zijn inauguratie tot gouverneur afgelopen januari, maar ik durf niet te vragen welke het is. «Let’s begin», zegt hij een beetje grijnzend. Ik begin me te verontschuldigen voor mijn slechte Engels, hij wuift dit weg, lacht welwillend. Deze welwillendheid blijft tijdens het hele gesprek intact, hij amuseert zich wel met me, af en toe lacht hij gewoonweg ontwapenend en in de loop van het gesprek begint hij steeds vaker mijn vrouw, die hem fotografeert, erbij te betrekken. Zijn stemgeluid is onnavolgbaar, hij heeft een lage, hese bas die achter uit zijn keel komt. Ik vraag wat hij ervan vindt steeds geïnterviewd te worden. «Meestal niet leuk», zegt hij. «Journalisten hier zijn erop uit me onderuit te halen, ze willen dat ik rare dingen zeg, letten op hoe ik me gedraag, maar waar het over gaat dat interesseert ze niet. De officiële plechtigheden, het opdraven voor het minste of geringste en het publicitaire gedoe rond mijn positie zijn werkelijk boring, van privacy is niet veel meer over.» Ik leg uit dat hij in Nederland met zijn opvattingen rond abortus, legalisering van softdrugs en homorechten aan de linkerkant zou staan. «U bent wat dat betreft een socialist», zeg ik. Dit gaat hem duidelijk veel te ver, zoiets laat een Amerikaanse politicus zich niet zeggen. Hij schiet in zijn stoel naar voren en wijst me erop, tikkend op zijn bureau, dat hij absoluut geen socialist is, integendeel, «I am a real capitalist». Hij vertelt over zijn economische opvattingen, die erop neerkomen dat de belastingen drastisch omlaag moeten, dat er geen inkomstenbelasting moet zijn, alleen belasting op consumptie. Hij is sterk tegen staatsbemoeienis. «Zodra jongeren uit huis gaan», zegt hij, «hebben ze de neiging naar andere verzorgers te gaan zoeken. Ze weten niet wat het betekent voor zichzelf te zorgen en denken dan dat de regering wel alles voor ze regelt. Dat is dus fout, mensen moeten leren voor zichzelf te zorgen en niet afhankelijk te zijn van anderen.» Ik probeer er af en toe tussen te komen, maar hij laat zich niet onderbreken. «Republikeinen en Democraten hebben allebei ongelijk», zegt hij. «I don’t want Democrats in the boardroom and Republicans in the bedroom.» Dit heeft hij tijdens verkiezingsbijeenkomsten beslist vaker gezegd. Dan begin ik over zijn politieke carrière. Hij schrijft ergens in zijn boek: «Politics came to me.» Ik beweer dat dit toch niet helemaal waar is. Al tijdens zijn worstelcarrière heeft hij een poging gedaan een vakbond voor worstelaars op te richten. «Maar dat is iets heel anders», zegt hij, «dat is geen politiek, dat is 'economics’.» Mij lijkt het verschil niet erg groot, maar hij ziet dit duidelijk anders. «Er waren in de begintijd van het worstelen weinig goede verzekeringsregelingen, geen ziektekostenverzekeringen, geen pensioenfondsen. Daar wilde ik wat aan doen en op een dag begon ik erover met andere worstelaars. Dit ligt zeer gevoelig in Amerika. Wie over een economische belangenorganisatie begint, staat direct onder druk. De bazen willen liever niet dat je daarover zeurt, dus alles moest in het diepste geheim plaatsvinden. Uiteindelijk kwam het niet van de grond omdat de zaak bekend raakte en ik met ontslag werd bedreigd. Er is zelfs nog een rechtszaak van gekomen, die ik uiteindelijk won. Hulk Hogan was de man die de zaak ooit in de openbaarheid bracht. Dat zal ik hem altijd kwalijk nemen, ook al is Hogan de grootste worstelaar aller tijden. Met politiek had het in elk geval allemaal niks te maken.» Ventura valt ineens scherp uit naar vakbonden in het algemeen. 'Het zijn bedriegers, ze doen niks voor hun mensen en ze komen niet op voor de goede politici.’ Ik vraag hem waar het eerlijker toegaat, bij worstelen of in de politiek. «Bij worstelen natuurlijk», zegt hij, «daar weet je waar je aan toe bent. In de politiek weet je nooit wat er in de achterkamertjes over je wordt beslist en geroddeld; bij het worstelen is de zaak volkomen duidelijk.» Ik begin over Roland Barthes, ik vertel hem dat zijn opvattingen over worstelen zeer sterk met die van hem overeenkomen. Ik wil een citaat van Barthes voorlezen ('We are dealing with a real Human Comedy’), maar dan klinkt er plotseling een zeer harde knal. «What’s that, John?» Ventura kijkt verbaasd naar zijn perschef John Wodele. Die weet het ook niet, volgens hem is het iets in de ontvangstzaal, zeker een televisieapparaat dat viel. «Nee hoor», zegt mijn vrouw, «het was buiten.» Volgens Ventura heeft ze gelijk. Hij loopt naar het raam. We volgen hem. Buiten zien we een stel mensen in klederdracht rond een kanon, blijkbaar is dat afgeschoten. Dan weet John het: het is voor de komende feesten rond Onafhankelijkheidsdag, zeker een oefening. Mijn vraag over Barthes is in het water gevallen, maar Ventura wil het er toch nog wel even over hebben. «Worstelen is een soort theater», zegt hij, «een dans met geweld, maar ik bemoei me er niet meer zo mee. Tegenwoordig is het allemaal veel ingewikkelder geworden, in mijn tijd had je alleen de good guys en de bad guys. Dat is veranderd. Er zijn allerlei karakters.» Hij verliest zijn aandacht, wiebelt verdacht heen en weer. Ik vraag hem hoe hij zijn medewerkers kiest en vertel dat Gary Wills daar bijzonder positief over schrijft. Nu is hij weer bij de les. «Ik ben niet gebonden aan een partij, dat is een voordeel. Ik hoef dus ook geen partijmensen in mijn staf op te nemen. Ik kan kiezen wie ik wil. Dit betekent dat ik mijn mensen overal vandaan haal, allemaal deskundigen. Ik zeg niet precies wat ze moeten doen, laat ze in hun waarde en kom ook niet al te vaak langs. Dat werkt volgens mij het beste. En als er fouten worden gemaakt, vind ik dat niet erg. Het is een teken dat er gewerkt wordt. Wie geen fouten maakt, werkt niet. De enige die geen fouten maakt is John Wodele.» Hij wijst naar John, die ad rem reageert. Hij tikt drie keer met zijn vinger op Ventura’s bureau en grinnikt: «O, now I am really in trouble.» Ventura heeft er geweldige pret om.