De prijs van migratie  Het debat in de VS

Politiek zonder telraam

Immigratie heeft in Amerika weliswaar altijd geleid tot discussie en soms tot het instellen van een migrantenstop, maar nooit is er, zoals nu in Nederland, ‘integratiebeleid’ ontwikkeld.

ALS HET GAAT over immigratie en integratie verkeert Nederland inmiddels in een vrijwel permanente kramp. Alles is moreel geladen, vol emoties, de ene kant op of de andere. Vaak wordt verwezen naar de Verenigde Staten, wier lange immigratiegeschiedenis er heel anders uit zou zien. Daar zou alles min of meer vanzelf zijn gegaan, zonder politiek horten en stoten. Dat beeld is niet juist. Immigratie in Amerika heeft altijd geleid tot botsingen, onrust, beschuldigingen en racisme. Maar niet tot veel beleid, behalve af en toe maatregelen om mensen buiten de deur te houden.
Zelfs voordat er in Amerika sprake was van massa-immigratie leverden nieuwkomers al problemen op. Zo klaagde Founding Father Benjamin Franklin in 1750 over de grote aantallen Duitsers in Philadelphia. Ze dreigden het Engels te overstemmen, vreesde hij. Ook van hun leefgewoonten moest hij weinig hebben. Maar al foeterend was Franklin zakelijk genoeg om een Duitstalige krant te beginnen – hij was drukker en er viel wat te verdienen. De Duitsers zetten ondertussen hun eigen gemeenschappen op die replica’s waren van hun leven in Europa, inclusief Biergarten, Beethoven en Duits als voertaal. Veel ambitie om ‘echte Amerikanen’ te worden hadden ze niet. Dat leidde nooit tot erg groot ressentiment; het Congres heeft zelfs nog gedebatteerd over een wet om Duits een officiële taal te maken in Amerika. De integratie ging vanzelf, al duurde het enige generaties.
Gelijkenissen met de Nederlandse integratiediscussie vinden we vooral terug in het Amerika van rond 1850. In het decennium daarvoor waren plotseling miljoenen Ieren naar de Verenigde Staten gekomen, opgejaagd door de hongersnood als gevolg van de aardappelrot. Ze waren niet alleen arm, in slechte conditie, onopgeleid en zonder veel vaardigheden, ze waren bovenal katholiek. Ineens kwamen miljoenen mensen met een ander geloof naar Amerika, een geloof dat volgens de toenmalige politieke scherpslijpers vijandig was aan alles waar Amerika voor stond. De grondwet was immers geschreven vanuit individualistische, protestantse waarden. Amerika was een protestantse natie en dat impliceerde onder meer dat je je eigen predikanten en kerk koos en dat je zelf verantwoordelijk was voor hoe je dat geloof – en je leven – inrichtte. Katholieken daarentegen leefden onder het juk van een autoritaire kerk, met een leider wiens gezag boven dat van de wereldlijke autoriteiten stond. Ze traden collectief op, geleid door priesters die als agenten van de kerk van Rome waren meegekomen op de Ierse hongerschepen. Het strikte, autoritaire karakter van de Ierse kerk ging de Amerikaanse katholieke kerk domineren (wat later nog tot problemen zou leiden met de lossere Italianen).
De antikatholieke schotschriften lieten niet lang op zich wachten. Vlijmscherpe cartoons toonden hoe de clerus en de politiek probeerden de samenleving naar hun hand te zetten. Er kwam zelfs een echte antikatholieke partij, de American Party, beter bekend als de Know Nothing Party. Geheel in stijl was dit een geheimzinnige affaire, zonder openbare procedures en met de plicht tot geheimhouding, vandaar het ‘I know nothing’ dat leden te pas en te onpas gebruikten. Deze antikatholieke activisten boekten in tussentijdse verkiezingen in 1854 een enorm succes, vooral op lokaal niveau. Als one issue-partij viel de zaak al snel uit elkaar, persoonlijke ambities botsten en er waren geen aansprekende personen die leiding gaven. Aan het einde van het decennium was de partij verdwenen. In de tussentijd had de Amerikaanse katholieke kerk zich strakker georganiseerd. De kerk zette de gelovigen verder onder druk en bouwde een effectief bolwerk om de katholieke identiteit te beschermen tegen Amerikaanse vrijdenkerij. Knarsetandend moesten protestanten tolereren dat er katholieke scholen, verenigingen en organisaties opdoken. De bisschoppen hadden weinig op met democratie. Ze gebruikten hun politieke macht, via de gelovigen, zonder scrupules.

NA DE BURGEROORLOG, waarin Ieren en Duitsers als kanonnenvoer dienden, kwam de kramp in versterkte mate terug. Nu in de gedaante van rabiaat racisme tegenover Chinezen – aangejaagd door de Ieren die hen als concurrenten zagen op de arbeidsmarkt. De ‘gele plaag’ bedreigde de Amerikaanse blanke, anglo-saxon samenleving. Na jaren van relletjes en aanvallen op succesvolle Chinezen in Californië kwam er in 1881 een landelijk verbod op immigratie voor Chinezen. Tot diep in de twintigste eeuw mochten Chinezen in Californië niet getuigen voor de rechtbank, geen onroerend goed bezitten (de oorspronkelijke oorzaak van het bestaan van Chinatowns) en tot 1948 mochten ze ook niet trouwen met niet-Aziaten.
Een combinatie van racisme en onterecht wantrouwen jegens Japanse landgenoten leidde in 1942 tot de internering van Amerikaanse staatsburgers van Japanse afkomst. Na de aanval op Pearl Harbor werden tienduizenden Japanse Amerikanen in kampen gestopt in de woestijnen van Californië. Zelfs Franklin Roosevelt zag geen moreel probleem.
Anti-immigratiegevoelens deden in de jaren tachtig van de negentiende eeuw opnieuw sterk opgeld en weer nam het de vorm aan van antikatholicisme. In 1887 werd de antikatholieke American Protective Association opgericht. Ook nu weer betrof het een geheim genootschap, dol op samenzweringstheorieën met als doelstelling het stoppen van katholieke immigratie, het verwijderen van katholieke onderwijzers, het verbannen van katholieken uit publieke ambten en de plicht om Engels te leren. Op haar hoogtepunt claimde de club tweeënhalf miljoen leden, maar vijf jaar later was zij alweer verdwenen. De weerzin bleef echter doorsudderen en in 1893 werd een Immigration Restriction League opgericht. Een van hun beleidsvoorstellen was beperking van immigratie door van nieuwkomers te eisen dat ze konden lezen en schrijven.

HET MOTIEF van zuiverheid van het Amerikaanse ras, zoals president Theodore Roosevelt het in de termen van die dagen uitdrukte, lag ook ten grondslag aan de afkeer van immigranten in de eerste twintig jaar van de twintigste eeuw. Miljoenen Italianen, Polen, Russische joden en andere inferieur geachte immigranten overspoelden de Amerikaanse steden. De emoties zouden zo hoog oplopen dat in 1924 de grenzen zo goed als gesloten werden. In de tussentijd was het beleid al aangepast op een manier die we tegenwoordig ook kennen. Er werd strenger gecontroleerd op het ontvangstcentrum Ellis Island, immigranten moesten kunnen lezen en schrijven en ze moesten 25 dollar bij zich hebben. Als obstakels stelden deze maatregelen weinig voor – niet meer dan twee procent werd teruggestuurd. Serieuzer werd het toen na de Russische Revolutie ook potentiële lastpakken werden geweerd (anarchisten waren al langer het doelwit, zeker sinds in 1901 president William McKinley door een Pools-Amerikaanse anarchist was vermoord).
Tegelijkertijd probeerden Amerikanen van de immigranten nette burgers te maken door het aanbieden van wat we nu inburgering zouden noemen. Immigranten konden cursussen Engels en Amerikaanse geschiedenis volgen en ze konden leren over hun rechten als arbeiders. Dit alles onder de brede noemer americanization. De motivatie kwam uit twee richtingen. Aan de ene kant conservatieve patriotten die keurige burgers wilden kweken, aan de andere kant linkse vakbondsleden die immigranten wilden helpen hun rechten geldend te maken. Deze beweging, geleid door Frances Kellor, werd gesteund door president Woodrow Wilson (1913-1921), maar ontaardde tijdens de Eerste Wereldoorlog in overdreven patriottisme, gericht tegen afwijkende immigranten. De weerzin tegen Italianen (‘darkies’ genoemd), joden en andere arme sloebers uit verderaf gelegen delen van Europa nam in de jaren na de Eerste Wereldoorlog sterk toe. Ook de economische crisis na de oorlog droeg daaraan bij. Zo kwam het in 1924 tot een volledige immigratiestop.

IN 1965 ontstond precies de omgekeerde beweging, ook op morele gronden. Politici vonden dat ze na het aannemen van de burgerrechtenwetgeving de immigranten niet konden buitensluiten. De wetgeving die toen werd bedacht had verregaande gevolgen omdat ze leidde tot kettingimmigratie en gezinshereniging. Die toevloed van opnieuw tientallen miljoenen immigranten ligt aan de basis van de huidige discussie over illegale immigranten. Er wonen zo’n tien miljoen illegalen in de Verenigde Staten, vooral Hispanics, immigranten uit Mexico en Midden-Amerika. Zonder hen zou de economie in de problemen komen, althans dat was zo voor de huidige crisis en de opgelopen werkloosheid. Anti-immigratiesentimenten duiken vooral op als kinderen van illegalen onderwijs volgen of als ze gebruik maken van diensten – dan speelt het ‘eigen volk eerst’-gevoel op.
De discussie over Hispanics kreeg een paar jaar geleden een geladen ondertoon toen de vorig jaar overleden politicoloog Samuel Huntington (bekend van The Clash of Civilizations) in zijn boek Who Are We? betoogde dat Hispanics nooit Amerikanen kunnen worden. Huntington definieerde eerst wie ‘we’ waren: de goede Amerikanen. Hij vond de Amerikaanse samenleving uniek omdat zij het geloof in God veronderstelt als grondslag – een christelijke god, omdat protestantisme en katholicisme in elkaar zijn geschoven. Dit heeft geleid tot een civil religion die ‘een transcendentaal wezen aanroept dat losstaat van de menselijke wereld’. Als je niet in die Amerikaanse God gelooft, dan kun je ook niet in Amerika geloven, aldus Huntington. Niet-gelovigen of verkeerd gelovigen kunnen geen Amerikaan zijn. Volgens Huntington kunnen en willen Hispanics – met name Mexicanen – zich niet inpassen in het door hem geschetste Amerikaanse patroon. Ze zijn per definitie niet Anglo-Saxon Protestant (in Huntingtons versie dus ook katholieken van de goede soort omvattend – dezelfden die een eeuw tevoren werden gehaat) en willen dat ook niet worden. Ze blijven Spaans spreken, wonen te dicht bij hun oude cultuur om er echt afstand van te nemen en zijn met zo velen dat ze zich gemakkelijk kunnen isoleren. Huntington tamboereerde zelfs op het idee dat de Mexicanen hun door Amerika gestolen gebieden willen herveroveren – een favoriete bangmaker van anti-immigratie-activisten.
Kortom, ‘wij’ zijn degenen die er al waren, ‘zij’ zijn degenen die binnen willen. ‘Zij’, de Hispanics, kunnen nooit ‘wij’ worden. De toonzetting komt ons niet onbekend voor.
Zo blijkt dat veel elementen uit het huidige Nederlandse debat over integratie en immigratie in de Verenigde Staten al ooit aan de orde zijn geweest. De vermeende dreiging van een ander soort volk, een inferieur volk uit een andere cultuur met een ander geloof, zette de Amerikaanse politiek altijd op scherp en leverde in de praktijk precies die diverse samenleving op die Amerika is geworden. Daarvoor is nooit ‘integratiebeleid’ ontwikkeld. Wel immigratiebeleid, zij het heel marginaal (met uitzondering van de ban op Chinezen en de periode 1924-1965 waarin immigratie zo goed als onmogelijk was).
Over integratiebeleid en over de resultaten daarvan heeft Amerika zich nooit druk hoeven maken. De politiek heeft nooit met telraam of rekenmachine in de hand gekeken wat immigratie oplevert. Had ze dat wel gedaan en daar beleid aan verbonden, dan waren de grote negentiende-eeuwse stromen immigranten nooit op gang gekomen, net zo min als de meer recente stromen Aziaten en Hispanics. Amerika liet de immigranten juist wel komen. Het land heeft zich altijd gerealiseerd dat een open en dynamische samenleving sterker is dan een dichtgetimmerde, gereguleerde en schijnbaar homogene samenleving.