Politieke bewegingen

Het wrr-rapport Dynamiek in islamitisch activisme lijkt geschreven te zijn door twee typen wetenschappers: enerzijds die van de exacte begripsbepaling, de nauwkeurige formulering en de voorzichtige claim, anderzijds die van de brede greep en de provocerende stelling. In het hoofdstuk waarin het rapport ingaat op de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen lijkt de eerste groep zich ontfermd te hebben over de landenoverzichten. De tweede groep lijkt zich bezig te hebben gehouden met interpretatie en conclusies.
Wie de landenstudies leest, zal niet snel opgewekt het rapport terzijde leggen of de buidel willen trekken voor islamisten in het Midden-Oosten. In landen waar islamitisch-politieke activisten aan de macht kwamen – Saoedi-Arabië, Iran, Afghanistan, Soedan en in mindere mate Pakistan – pakte dit altijd slecht uit voor de burgerlijke vrijheden, de rechten van religieuze minderheden en dergelijke.

In landen waar de islamisten in de oppositie bleven, zo toont het rapport aan, trachtten staten hun vaak de wind uit de zeilen te nemen of concessies te doen door evenzeer onaangename maatregelen te treffen. Het enige lichtpuntje in de sombere bladzijden is Afghanistan, waar na draconische Taliban-maatregelen nu weer een democratische wind waait. Wel dankzij Amerikaanse bommenwerpers. Dus: achter het vaandel van Bush ten strijde?

Dat is bepaald niet de conclusie die de wrr trekt. De akelige islamitische regimes in bovengenoemde landen bleven «gevangen in klassieke zwakten van de eigen politieke cultuur» en kwamen niet verder dan «goedkope islamisering». Geen reden dus om bang te zijn voor islamitische politieke bewegingen per se. Op een soortgelijke manier zet de wrr wel meer bezwaren tegen islamitisch-politieke activisten opzij. En daar zit een levensgroot probleem. Want een aantal conclusies waar de wrr op uitkomt, volgt niet onontkoombaar uit het rapport zelf. Daarmee is het rapport niet slecht, integendeel: het is een nauwkeurig, gedetailleerd, met autoriteit en goed geschreven rapport met heldere aanbevelingen. Maar ja, die conclusies…

Je moet wel een grote optimist zijn om nog blij te worden van Iran, dat toch werkelijk niet de juiste richting ingeslagen lijkt te zijn onder de holocaust-ontkennende en uranium-liefhebbende president Ahmedinejad. Toch wordt het land in het rapport aangevoerd als hoopgevend voorbeeld voor de toekomst omdat er «een levendig debat over democratie, mensenrechten en pluralisme» wordt gevoerd. Met dergelijke conclusies maakt de wrr zich kwetsbaar voor de kritiek die het uit te voorspellen hoek kreeg. En wat wellicht erger is: het werpt ook vraagtekens op over de balans in het rapport en de objectieve bril bij het schetsen van de ontwikkeling van islamitisch-politieke bewegingen.

De positieve verwachtingen die in het hoofdstuk daarover worden geschetst, zijn vooral gebaseerd op een gematigder koers die de auteurs signaleren bij de omvangrijke en in de gehele Arabische wereld invloedrijke Egyptische Moslimbroederschap. De Egyptische staat veroorzaakte de radicalisering van de Broeders, stelt de wrr, en brute staatsrepressie zette hen en andere groepen aan tot aanslagen, met als dieptepunt de moord op bijna zestig toeristen bij Luxor in 1997. En zie nu: de Moslimbroederschap erkent Egypte en is even pacifistisch als democratisch. Een perfecte kandidaat om democratie en bijpassende verworvenheden in Egypte in te voeren.

Het is een patroon dat de wrr ook elders ziet als zij naar de geschiedenis kijkt: islamitische koepelbewegingen die radicaliseerden door repressie en geboorte gaven aan (extreem) gewelddadige dochters, zoals de fis in Algerije. Waarom nog die repressieve staten steunen tegen hun vrome oppositie? Waarom niet de stap durven nemen die autoritaire regimes werkelijk af te rekenen op hun merites en islamitische partijen de kans geven?

Een antwoord daarop ligt eigenlijk al in het wrr-rapport besloten. Zoals de auteurs regelmatig aangeven, is islamitisch-politiek activisme zo’n grabbelton aan overtuigingen en bieden de ervaringen ermee in moslimlanden zoveel aanleiding voor verschillende interpretaties dat een rapport als Dynamiek in islamitisch activisme evengoed enkel negatieve conclusies had kunnen bevatten met negatief beleidsadvies. Het is hoopvol dat de ontwikkelingen in het Midden-Oosten ook met een positieve bril bekeken kunnen worden en de wrr geeft in haar overzicht van islamitisch-politieke bewegingen een belangrijk tegenwicht aan wie de islamitische wereld na de barrage aan slecht nieuws van de afgelopen jaren enkel nog als de verdomhoek van de wereld kan zien.

Maar of we werkelijk positieve conclusies kunnen verbinden aan de ervaringen in Algerije met de fis en wat er gebeurde nadat die partij de verkiezingszege ontnomen werd? Aan het opkomen van een fundamentalistische oppositie in Saoedi-Arabië? En – al gaan de auteurs er niet expliciet op in – aan de verkiezingsoverwinning van Hamas? Politieke verantwoordelijkheid kan islamisten gematigder maken, stelt de wrr, en ze draagt daarvoor ook ondersteunend materiaal aan. Maar ook met alle kennis die de wrr etaleert blijft het steunen van islamitische heilspartijen – met de mogelijkheid dat ze zich aan het hoofd van een land stellen, met alle middelen die dat biedt – een gok waarvan de uitkomst niet te voorspellen is. Dat staat ook in het rapport, maar die boodschap wordt tegelijk vaak overwoekerd door een positieve stelligheid die in dit verband wat ongemakkelijk aanvoelt. Maar dat neemt niet weg: hopelijk heeft de wrr gelijk.