Politieke fantoompijn

‘WIJ WILLEN ALLES, en wel onmiddellijk’, was een van de leuzen van de Franse studentenbeweging in de jaren zestig. Een mooier protest tegen de eeuwige dwang om in de politiek realistisch te zijn en alleen haalbare eisen te stellen, is nauwelijks denkbaar. Het getuigt van een frisse politieke ambitie, een ambitie die de afgelopen jaren in het Nederlandse politieke landschap opvallend afwezig is geweest.

Ik zou daarom blij moeten zijn met het rapport Rode draden van de sociaal-democratie dat de commissie-Witteveen heeft geschreven als opmaat voor een nieuw beginselprogramma van de Partij van de Arbeid en dat komend weekeinde op de agenda staat van het partijcongres. Het document staat vol met wensen en verlangens die mij uit het hart gegrepen zijn. Ook ik ben voorstander van emancipatie, vrijheid, gelijkheid en solidariteit - de vier kernbegrippen van het rapport. Ook ik geloof dat de industriële ontwikkeling niet alleen het productievermogen maar ook het destructievermogen van de samenleving enorm heeft gestimuleerd, en dat in de politiek in toenemende mate de lasten van deze ‘vooruitgang’ op de agenda moeten staan. Ook ik geloof dat de overheid niet meer het panacee is voor alle kwalen en dat nu de tijd van het creatieve beheer van de verzorgingsstaat is aangebroken. Ook ik vind dat politiek en overheid niet vereenzelvigd mogen worden omdat politiek anders alleen nog gaat over de beheersproblemen van de overheidsadministratie. Ook ik vind dat mensen meer vat moeten krijgen op hun leven en dat er dus weer gesproken moet worden over de kwaliteit van de arbeid en over ontplooiingsidealen. Ook ik ben voor een sterk, sociaal en democratisch Europa en voor een gemengde economie op wereldschaal met een mondiale minimale verzorgingsstaat om de economische beleidsconcurrentie te temperen. Ik kan dus moeilijk zeggen dat ik het met het rapport oneens ben. Integendeel, ik ben het teveel met de schrijvers eens. En juist dat stemt mij zo treurig. Opheffer schreef vorig jaar in De Groene dat hij zich steeds vaker betrapte op VVD-standpunten. Toch stemt hij nooit op de VVD omdat hij niet wil dat Den Haag bevolkt zou worden met mensen zoals hij. Na het lezen van Rode draden had ik het tegenovergestelde. Ik vind het helemaal niet erg als mensen in de politiek op mij lijken. Ik begrijp alleen niet hoe mensen die in talloze alinea’s getuigen van politieke intuïties die me dierbaar zijn, daaruit zo'n tegengestelde conclusie kunnen trekken. Uit de gapende kloof tussen de idealen en de praktijk zou ik op zoek gaan naar de verklaring van de kloof en naar middelen om die kloof te dichten. De leden van de commissie-Witteveen geloven daarentegen dat het zinnig is om een nieuw beginselprogramma te schrijven. Zij willen de idealen nog eens op een rijtje zetten, alsof er slechts sprake is geweest van een misverstand. De wens om een nieuw beginselprogramma te schrijven bestaat al langer binnen de Partij van de Arbeid. Op het partijcongres van maart 1992 werd besloten dat er twee jaar later een nieuw ontwerpprogramma moest liggen. Deze wens had alles te maken met de traumatische periode rond de WAO-crisis. De hernieuwde kennismaking met de macht was voor de sociaal-democraten allerminst pijnloos geweest. Veel radicale standpunten uit de periode van het oppositie voeren waren geruisloos van de agenda gevoerd. Een herbezinning leek noodzakelijk. De economische crisis had - iets eerder - ook andere partijen al gestimuleerd tot reflectie. In zijn onnavolgbare jargon sprak Lubbers over de noodzaak om de traditie te 'herbronnen’. Van de herbezinning is destijds in de Partij van de Arbeid niet veel terecht gekomen. In Socialisme en Democratie beschrijft Bart Tromp de weifelachtige houding van de diverse partijbesturen. In 1994 krijgt Thijs Wöltgens de taak om een eerste opzet te maken, maar daarvan wordt hij door Ruud Vreeman in 1996 weer ontheven. Sowieso is de Partij van de Arbeid niet het centrum geweest van wervende discussies over de vraag hoe het best op de veranderde tijden gereageerd kan worden. Of het nu gaat om de WAO of de asielzoekers, overal volgden de sociaal-democraten de agenda. Alleen op het terrein van de grote infrastructurele werken, van de Betuwelijn, de HSL en Schiphol lopen de sociaal-democraten voorop. Maar of ze daarbij vervuld zijn van een sociaal-democratisch vuur valt te betwijfelen. Meer bezinning op de politieke praktijk en discussie over de te volgen koers is absoluut gewenst. Ik betwijfel echter of een beginselprogramma daarvoor een goed uitgangspunt vormt. Politieke zelfverheldering is naar mijn mening namelijk alleen zinvol als niet - zoals in een beginselprogramma onvermijdelijk is - van actuele kwesties wordt geabstraheerd, maar als de gemaakte keuzen en actuele kwesties juist de basis vormen voor de analyse. HET ZEVENTIENDE JAARBOEK voor het democratisch socialisme was twee jaar geleden volledig gewijd aan de wenselijkheid van beginselen. De redactie merkt op dat beginselprogramma’s meestal niet het begin van een nieuwe periode zijn, maar vooral een oude periode afsluiten. Het beginselprogramma van 1977 was de bestendiging van de invloed van Nieuw Links, juist op het moment dat onder andere door de economische crisis die beweging op zijn retour was. Ook voor andere partijen gaat dat op. Niet lang nadat de ARP in 1961 een nieuw conservatief beginselprogramma had geschreven, ging het roer om. Wie hoopt dat een nieuw beginselprogramma nieuwe horizonten opent, komt dus vaak bedrogen uit. Toch pleit Ruud Koole in het genoemde jaarboek voor een nieuw beginselprogramma. Volgens hem zorgt een beginselprogramma voor continuïteit. Het voorkomt dat de partij teveel afhankelijk wordt van de partijleider. Zeker voor de Partij van de Arbeid, die niet, zoals het CDA, kan terugvallen op een buitenpolitieke inspiratiebron en evenmin kan terugvallen op de status quo, zijn beginselen onontbeerlijk. De klassieke rol van politieke partijen is het maken van afwegingen tussen de diverse wensen, opinies en belangen van de samenleving. Zonder een samenhangend stelsel van beginselen mist de partij een criterium op basis waarvan die afwegingen kunnen worden gemaakt. De beginselen krijgen aldus de rol van scheidsrechter toebedeeld. De schrijvers van Rode draden zijn bescheidener. Ze erkennen dat het niet mogelijk is om een samenhangend stelsel van beginselen te formuleren. Er valt geen hiërarchie van waarden op te stellen. Ze erkennen bovendien dat de sociaal-democratische beginselen in de alledaagse praktijk van politiek en bestuur vaak uit het zicht raken. 'Sociaal-democratische beginselen leveren geen vanzelfsprekende uitkomsten op. Maar ze helpen wel om die keuzen eerlijk en verantwoord te maken.’ In de tweede zin schuilt volgens de opstellers het kritische potentieel van de beginselen. Als de bescheiden formuleringen worden weggepoetst blijkt dat het klassieke schema nog altijd overeind staat. De commissieleden menen nog altijd dat als er overeenstemming kan worden bereikt over de principes, alledaagse politieke keuzen makkelijker zijn te maken. Ze geloven zelfs dat de besluitvorming erbij gebaat is wanneer we weten hoe bij de besluitvorming diverse principes met elkaar botsen. In het decembernummer van het filosofische tijdschrift Krisis noemt Jet Bussemaker, een van de commissieleden en lid van de Tweede Kamer, het voorbeeld van islamitische scholen. Ze stelt dat daar de waarde van de vrijheid van onderwijs kan botsen met het streven naar gelijkheid tussen de seksen. Bussemaker en de andere commissieleden impliceren daarmee dat een gebrek aan principiële overeenstemming het belangrijkste politieke probleem is. Ik geloof dat niet. Naar mijn mening bestaat er over tal van doelstellingen brede overeenstemming maar is het geloof verdwenen dat die overeenstemming ook kan worden omgezet in effectief beleid. Niet het gebrek aan principiële overeenstemming of helderheid maar het aangetaste geloof in de maakbaarheid van de samenleving is het kernprobleem van de hedendaagse politiek. Dat betekent niet dat er geen kwesties zijn waarbij waarden op elkaar botsen, zoals het voorbeeld van de islamitische scholen, maar dat zijn uitzonderingen. Er heeft in de Nederlandse naoorlogse politiek, met uitzondering van de periode van polarisering in de jaren zeventig, altijd veel overeenstemming bestaan over de na te streven doelen. De verschillen ontstonden pas over de manier waarop die doelen bereikt zouden kunnen worden. Zelfs bij grote politieke strijdpunten als bijvoorbeeld de plaatsing van kruisraketten bestond overeenstemming over het uiteindelijke doel. Niemand is tegen de wereldvrede, alleen dachten sommige mensen dat een strategie van afschrikking daarvoor nodig was en anderen dat de afschrikking best iets minder mocht zijn. Door het tanende geloof in de maakbaarheid van de samenleving gaat het debat zelfs steeds meer over de middelen en niet over de nagestreefde waarden. DE AMERIKAANSE politicoloog Alfred Hirschman heeft in een prachtig boek, The Rhetoric of Reaction, verschillende strategieën geïnventariseerd waarmee conservatieven maatschappijhervormingen hebben proberen tegen te houden. Hij onderscheidt drie grondargumenten. Opmerkelijk is dat maar bij een van de drie sprake is van een botsing tussen waarden. Het jeopardy-argument stelt dat het onwenselijk is om meer gelijkheid na te streven omdat dat ten koste gaat van andere verworvenheden, zoals vrijheid. Bij de andere twee - vaker gebruikte - argumenten staan de waarden zelf niet ter discussie. Het perversity-argument stelt slechts dat hervormingen vaak contraproductief werken. Waar de overheid heeft geprobeerd om mensen met verzorgingsarrangementen weerbaar te maken, heeft het alleen meer afhankelijkheden opgeleverd. Het futility-argument stelt dat het geen zin heeft om bijvoorbeeld te streven naar meer politieke gelijkheid omdat er altijd leiders en volgelingen zullen zijn, of toegepast op de sociale zekerheid: dat steunmaatregelen nooit terecht zullen komen bij de groepen voor wie het is bedoeld. In Rode draden wordt het probleem van de gebrekkige maakbaarheid van de samenleving en de beperkte manoeuvreerruimte voor de nationale staat op diverse plekken besproken. Deze sombere constateringen worden echter niet of nauwelijks gekoppeld aan de verkenning van de beginselen. De mooie idealen en doelen komen daardoor in het luchtledige te hangen. Zinniger zou het zijn om de weg te volgen die de Britse ideoloog van Labour, Geoff Mulgan, volgt in Life after Politics. Hij stelt daarin dat de interesse in de politiek bij de burgers groter is dan ooit. De noodzaak om allerhande mondiale problemen politiek op te lossen is eveneens groter dan ooit. Het geloof in de klassieke politieke instituties van de staat en de politieke partijen is echter kleiner dan ooit. De uitdaging bestaat eruit om nieuwe instituties te bedenken en nieuwe vormen van politiek. Ook dat wordt in Rode draden aangestipt. In het vervolg van 'De verplaatsing van de politiek’ stelt de commissie dat er geen macht mag bestaan zonder tegenmacht. Nu de politiek niet alleen in Den Haag wordt gevoerd, maar ook in Bos en Lommer, Brussel, de ambtelijke voorportalen, de rechtbank, de laboratoria en de bedrijven is het van belang op al die terreinen tegenmachten te organiseren. Maar wat de gevolgen zouden zijn van zo'n institutionele revolte wordt niet onderzocht. Het is echter zeer goed denkbaar dat er een uitruil plaatsvindt, waarbij voor de toegenomen effectiviteit een prijs wordt betaald in termen van rechtsongelijkheid. NU IS HET ALTIJD FLAUW om van een rapport te zeggen dat het de verkeerde vraag centraal stelt. Beter is het om initiatieven te beoordelen op de eigen doelstellingen. Draagt Rode draden bij aan een discussie in de Partij van de Arbeid? Ook daarin schiet het rapport tekort. En dat komt omdat de leden toch teveel zijn blijven hangen in het klassieke idee dat beginselen uiteindelijk de doorslag moeten geven in politieke disputen. In zijn proefschrift De sofocratische verleiding bespreekt de filosoof Tsjalling Swierstra hoe moeilijk het is om een ware democraat te zijn. Een democraat moet namelijk twee geloofsartikelen onderschrijven. Hij moet vertrouwen hebben in het oordeelsvermogen van de burgers en hij moet geloven dat doelgericht ingrijpen in de status quo mogelijk is: de gekozenen moeten enige greep hebben op de samenleving. Vervolgens laat hij zien hoe een aantal belangrijke filosofen - Kant, Bentham, Popper en Habermas - niet aannemelijk weten te maken dat burgers voldoende rationeel zijn om zichzelf te besturen. Stuk voor stuk zwichten ze op een bepaald moment voor de sofocratische verleiding, de heerschappij van wijzen. Ze zijn allemaal een beetje platoons gebleven. De filosoof-koning van Plato zwerft nog altijd in hun werk rond. Kenmerkend voor de benadering van Plato is het verlangen naar onafhankelijkheid. Een rationeel oordeel is alleen mogelijk als men zich heeft losgemaakt van de alledaagse machtsspelletjes, intuïties en meningen. En wanneer het onderscheid eenmaal is gemaakt tussen ware kennis en valse kennis, ware oordelen en valse oordelen, is de conclusie snel getrokken dat het domein van de ware kennis moet heersen over het domein van de intuïties en de meninkjes. Voor de discussie over beginselen is deze analyse van belang omdat daarin hetzelfde verlangen naar onafhankelijkheid werkzaam is. Elk beginselprogramma probeert zoveel mogelijk te abstraheren van de actuele politieke kwesties om op een 'zuivere’ manier de prioriteiten vast te leggen en vervolgens deze idealen toe te passen op alledaagse kwesties. De retorische strategie van beginselprogramma’s is die van de deductie. Als we het erover eens zijn dat emancipatie, vrijheid, gelijkheid en solidariteit onze belangrijkste waarden zijn, is het alleen nog een kwestie van het vinden van een dwingende interpretatie van deze beginselen om een debat te beslechten. Voor het stimuleren van het debat is dit een funeste strategie, want beginselen worden natuurlijk zo geformuleerd dat niemand er aanstoot aan kan nemen. Pas dan bestaat er een gemeenschappelijke grond van waaruit verder geredeneerd kan worden. Het resultaat is dat de commissie-Witteveen scherpe keuzen wil maken waar iedereen het mee eens is. Voor een goed debat is dat dodelijk. NATUURLIJK LUKT HET de commissie niet om volledig af te zien van actuele politieke kwesties. Er wordt op allerlei momenten stelling genomen in actuele debatten, maar dat gebeurt zo omfloerst dat het hogere kremlinologie vereist om de bommetjes in het stuk te herkennen. Een goed voorbeeld daarvan is de keuze die de commissie maakt voor complexe gelijkheid. In het eerder genoemde jaarboek voor het democratisch socialisme schrijft Margo Trappenburg dat dit aan de Amerikaanse filosoof Walzer ontleende begrip meer mogelijkheden biedt om je teweer te stellen tegen privatisering en de dreigende tweedeling in de gezondheidszorg dan het maximin-principe van de Amerikaanse filosoof Rawls. Rawls stelt dat een ongelijke verdeling alleen gerechtvaardigd is als de minst bevoordeelden daarvan profiteren. Rawls lijkt daarmee een mooi sociaal-democratisch principe te hebben geformuleerd. In de praktijk blijkt dat echter heel veel ongelijkheid met dit maximin-principe kan worden goedgepraat. Het toestaan van privé-klinieken vergroot weliswaar de ongelijkheid, maar verkleint tegelijkertijd de wachtlijsten, omdat de geprivilegieerden elders worden behandeld. Zo hebben ook de minst bevoorrechten voordeel bij deze gang van zaken. Wie Rob Oudkerk wel eens op tv heeft zien worstelen met mensen die deze argumenten naar voren brengen, begrijpt dat Rawls niet de ideale sociaal-democratische bondgenoot is. Walzers idee van complexe gelijkheid komt beter van pas. Hij stelt dat er verschillende domeinen in de samenleving zijn die elk hun eigen verdelingsprincipe hebben. Ongelijkheden zijn daarbij onvermijdelijk. Maar voorkomen moet worden dat in elk domein dezelfde mensen achteraan staan. Dat gebeurt onherroepelijk als bijvoorbeeld in het domein van de gezondheidszorg niet medische behoefte maar kapitaalkracht de verdeling van de schaarse medische middelen bepaalt. Er is dan sprake van een ongewenste economisering van de gezondheidszorg. Walzer biedt dus meer argumenten tegen privé-klinieken dan Rawls. En met zijn argumentatie is op zich niets mis. In het beginselprogramma wordt de achtergrond van zo'n keuze echter verdonkeremaand. En dat is ook noodzakelijk, anders zou de overtuigingskracht afnemen. Het mag niet alleen een argument zijn. Het moet gepresenteerd worden als uitgangspunt dat boven twijfel verheven is en dat daarom debatten kan beslechten. Nu ben ik geen tegenstander van begrippen als complexe gelijkheid. Zulke begrippen kunnen werken als een bril waardoor we oog krijgen voor nieuwe aspecten van een kwestie. Ze hebben dan ook zonder meer een functie in het proces van politieke zelfverheldering. Maar naar mijn idee is het wel goed om afstand te nemen van het platoonse verlangen naar onafhankelijkheid. Politieke zelfverheldering is niet gebaat bij beginselen, bij een geforceerd nieuw begin, maar bij het opmaken van de balans van de praktijk van de afgelopen jaren. Zo wordt definitief afscheid genomen van het idee dat idealen moeten worden toegepast. Morele intuïties, strategische overwegingen en analytische veronderstellingen kunnen dan op voet van gelijkheid tegenover elkaar worden geplaatst. Pas dan wordt duidelijk waar de oorzaak ligt van de kloof tussen praktijk en idealen. Zo krijgen we ook meer oog voor de dynamiek van het onbedoelde neveneffect. We moeten onderzoeken hoe idealen worden geoperationaliseerd en hoe ze daardoor soms juist het tegengestelde effect hebben van wat werd beoogd. EEN GOED VOORBEELD is het sociaal-democratische ideaal van maatschappelijke participatie. 'We laten niemand los’, zei Wim Kok in zijn Den Uyl-lezing. Het afgelopen decennium is maatschappelijke participatie steeds absoluter geïnterpreteerd als arbeidsparticipatie. Het gevolg is dat alles is afgestemd op werk, zelfs als dat leidt tot verdere uitsluiting. Zo geldt voor het welzijnswerk in De Pijp dat alleen maar activiteiten mogen worden ondernomen die 'toeleiden tot werk’. De ruimte waar jongeren binnen kunnen lopen zonder mee te doen aan een sollicitatiecursus is daardoor wegbezuinigd. En dus worden allerlei jongeren veroordeeld om op straat rond te zwerven. Het adagium 'We laten niemand los’ verkeert door de interpretatie die eraan is gegeven in het tegendeel. De politieke uitkomsten worden in veel sterkere mate bepaald door de veronderstellingen achter dergelijke uitwerkingen van idealen dan door de idealen zelf. Zo heeft de twijfelachtige veronderstelling dat lastenverlichting leidt tot loonmatiging en zo tot meer werkgelegenheid, lange tijd het beleid bepaald. Een inductieve manier van politieke zelfverheldering waarbij de praktijk als uitgangspunt geldt, brengt de spanning tussen veronderstellingen en idealen scherp in beeld. Hetzelfde geldt voor strategische overwegingen. Het winwin-denken heeft zonder meer strategische voordelen. Waarom zouden we niet beginnen met die maatregelen waar de diverse partijen voordeel bij hebben? In Rode draden wordt deze praktijk bestendigd met het ideaal van ecologische modernisering. Economische groei valt te combineren met milieubehoud. Voor het debat in de Partij van de Arbeid zou het echter goed zijn als eerlijk wordt gekeken wat de prijs is die voor deze winwin-strategie wordt betaald. Wie van de alledaagse politieke praktijk wil abstraheren kan nooit begrijpen hoe het komt dat nobele motieven, onschuldige assumpties en slimme strategische overwegingen in combinatie kunnen leiden tot ongewenste uitkomsten. Politieke zelfverheldering is daarom niet gebaat bij beginselen, maar bij 'besluitselen’ waarin rekenschap wordt afgelegd over de gevoerde politiek. Het opstellen van een beginselprogramma is in feite een nostalgische onderneming om de huidige maatschappelijke onoverzichtelijkheid te ontvluchten. Het is als een patiënt die nog jeuk heeft aan zijn geamputeerde benen. Maar in plaats van toe te geven aan deze fantoompijn, is het beter om te kijken hoe je je ook kreupel kunt voortbewegen. Het is beter om niet weg te dromen bij een vergeefse inventarisatie van de idealen, maar de noodzakelijke krukken en de rolstoelen aan een gedegen onderzoek te onderwerpen.