Kees ‘t Hart

Politieke poëzie

wie politieke poëzie gaat schrijvenbegint niet bij de politieke hoogtevan de daken politiek is de herinneringaan wat er is in het klaslokaalze beschrijft in alle onbewogenheidde veldslag, de empirie en de doodmetafysica is het zweet op haar rugze doorstaat alle verwensingen knipogendwie kwamen waar bijeen wie zongen wie zong niet wie fluisterdede namen van de deelnemers wie zweegonder welke kleuren werd gezwegenze beschrijft de verdeling van de schaarsteen de economie van de klankenomdat de distributie van geluid klinktals de verdeling van kamerzetelsze pleit voor de strikte economievan de persoonlijkheidsfabriekenin kathedralen neemt ze de poses aanvan vrolijk knikkerende kinderenhet geloofwaardige aan politieke poëzieis haar talige belangeloosheid en frictiehaar minutieusheid en ontdekkingvan de schaarste haar ongevoeligheid

politieke poëzie bezingt de schoenen

van de euthanaserende arts bezingt

de tas en de tas en daar de tas van

bezingt de belknop van zijn huis bezingt

ze is tegen vreedzame coëxistentie

omdat ze schaars is als aanwezigheid

omdat ze aan het hoofd staat van

goksyndicaten en vooruitgangsidealen

ze maakt haar eigen mediacircus

concreet ze spreekt over stoepstenen

als over toegewezen stemmen

omdat zij ze toewijst en niemand anders

ze toont de kamer in de straat

ze beschrijft de minuten van de nacht

minutieus zoals premier Kok

zijn jas minutieus aan de kapstok hangt

ze kust de kut van een vrouw

los van schaarste en vergetelheid

ze hoont de rijmratten niet ze is

blindeman ze is waan ze is hangplek