Politieke praatjes

(‘Je droomt over een zacht kristallen gebouw, maar wie een wegwijzer zoekt voor zijn gedachten, moet niet bij jou aanbellen.’ Een citaat uit Nalatenschap, de jongste roman van de Hongaarse schrijver György Konrád. Het is niet duidelijk tegen wie de zin is gericht. Het zou Konrád zelf kunnen zijn. Zijn romans laten zich immers niet makkelijk lezen. Ze dwingen je voortdurend pas op de plaats te maken. Zelfs de meest gelouterde lezer zal regels, soms hele alinea’s opnieuw moeten lezen om er enige zin uit te peuren.

Ook in Nalatenschap zoekt Konrád de grens van het verhalend proza. In een stroom van herinneringen, waarnemingen, overwegingen en theorieën construeert hij een ‘vertelling’ zonder dramatische ontwikkeling, waardoor Nalatenschap het geheel moet hebben van het observatievermogen van de schrijver.
Toch is er, met moeite, wel enige verhaallijn te ontdekken. De hoofdpersoon Antal Tombor - zowel een man van actie als van contemplatie - takelt gestaag af, in lichamelijk en moreel opzicht. Voor de omwenteling was hij een dissidente filmmaker, daarna werd hij burgemeester van Kandor, een anagram van de schrijver dat al eerder in zijn werk dienst deed. De voormalige dissident raakt verzeild in duistere zaakjes, met als hoogtepunt de vondst van een hoofd in zijn tuin. Uiteindelijk geeft hij, als schijver, rekenschap van zijn leven.
Tegelijk verhaalt Nalatenschap van het Hongarije na het communisme, van het proces dat Konrád voorheen de 'normalisering’ van zijn land noemde. 'Normaal’ is nu duidelijk geen passend etiket meer: corruptie, geweld, eigenbelang, sociale desintegratie, kortom, alle problemen van de huidige postcommunistische samenleving passeren de revue. Deze woorden lezen we daarentegen zelden. Een beeld van de postcommunistische normloosheid rijst op uit de observaties van afwisselend hoofdpersoon en alwetende verteller. Beiden kampen met een veranderd perspectief, verwoord in een van de meer dan tweehonderd hoofdstukjes: 'Voor de omwenteling was mijn perspectief meestal een van buitenaf en onderaf, nu moest ik in de dader kruipen, in de machthebber, tegen wie ik vroeger verdenking koesterde.’
Werd de handeling in zijn laatste romans voortdurend onderbroken door particuliere meningen, in Nalatenschap moet het kleine beetje handeling worden gezocht ín die particuliere theorietjes en opvattingen over alles: van de dood, liefde en verdriet tot het opruimen van de afwas.
Het gaat Konrád ook niet om de structuur. In interviews verklaarde hij al eerder niet geïnteresseerd te zijn in spannende scenario’s die lezers van begin tot eind aan een boek kluisteren. Hij heeft 'geen zin’ om met de televisie te concurreren en zegt het interessanter te vinden over straat te wandelen dan naar de bioscoop te gaan. Met zijn meesterlijke observatievermogen heeft Konrád zich die houding ook kunnen veroorloven. Toch blijkt in Nalatenschap dat niet élke observatie zich leent om tot edelmetaal te worden omgesmeed. Natuurlijk, een goede schrijver geeft zijn ogen de kost, maar hij behoudt ook een zekere kritische zin bij het selectieproces.
Het heeft er in Nalatenschap de schijn van dat de roem zijn tol eist. Hoe dikwijls Konrád de verschillen tussen hem, de schrijver, en de politicus ook heeft benadrukt, hij lijkt niet gevrijwaard van een kwaal waar menige politicus aan lijdt: de gedachte dat alles wat je invalt, de moeite van het verwoorden waard is.