Pollepel

Het was laat, ik zat rechtop in bed en had jeuk aan mijn rug. Niet een beetje, maar echt vreselijke jeuk. Ik strompelde naar de keuken en graaide in de la naar een pollepel. En zo kwam het dat ik mezelf om half twee ’s nachts zat te krabben alsof mijn leven ervan afhing, tot ik te moe was om te krabben, in slaap viel en de volgende ochtend wakker werd met een pollepel naast me op mijn hoofdkussen.

Ik heb altijd gedacht dat ik er min of meer voor was gemaakt om alleen te leven. Ik wil ongestoord kunnen doen wat ik te doen heb, en wens daarbij geen pottenkijkers. Als kind verlangde ik er al naar me los te weken van het gezin, elke ochtend weer die mensen aan de ontbijttafel, het gekauw en gedoe, het gezeur over mijn vermeende ochtendhumeur – dat ik niet heb en nooit heb gehad, je moet me gewoon alleen aan een tafel laten zitten, ophouden met geluiden maken, niet klooien met huissleutels en autosleutels, niet struikelen over iets wat daar gister nog niet stond.

Anyway, nu ben ik in de dertig (nog niet halverwege, hoor), en min of meer per toeval heb ik bereikt waarvan ik altijd dacht dat het me ultieme vrijheid en autonomie zou verlenen: ik woon allener dan alleen. Voor een half jaar woon ik in een stad waar ik niemand ken, op de elfde verdieping van een flat met goeddeels senioren. De senioren zijn heel vriendelijk, en sommige van hen hebben mij op gepaste afstand ontvangen met taart en koffie. In hun appartementen hangen foto’s van kinderen en kleinkinderen, de kleinkinderen zijn vaak al achttien, ze hebben hun rijbewijs gehaald en doen een opleiding die grotendeels op Zoom plaatsvindt. Met mijn hond wandel ik langs de gigantische, en gigantisch lege, all-you-can-eat-restaurants die de stad rijk is. Buiten de winkelstraten is het stil. In een gracht rond een woonwijk staan drie plastic kerstbomen half onder water, ook dit is een concept. Bij wijze van piek dragen ze een mutsje.

Wat is het grote verschil tussen tranen en jeuk? Iets van binnen wil duidelijk naar buiten

Ik moet erbij zeggen dat ik, vlak voor het pollepel-incident, de laatste aflevering had gekeken van het nieuwste seizoen van The Crown. Tijdens de laatste seconden van die aflevering wordt er ingezoomd op het gezicht van prinses Diana, terwijl ze poseert voor een familieportret. Het is Kerstmis, iedereen is samen maar iedereen is natuurlijk alleen, de een wat meer dan de ander en Diana het meest van iedereen. Totaal verloren staat ze daar, in het volle besef van haar verlorenheid. Niemand gaat haar verlossen, ze kan hooguit nog zichzelf verlossen.

Misschien was het dat gezicht, of misschien was ik het zelf, maar ik barstte uit in een onbedaarlijk snikken. Daarna kwam pas de jeuk, en als je er even over nadenkt: wat is het grote verschil tussen tranen en jeuk? Iets van binnen wil duidelijk naar buiten. Je kunt je hoofd in een papieren zak stoppen zoals Joan Didion deed, of je kunt je rug bewerken met een pollepel.

De middag erop paste ik een paar uur op het kind van mijn goede vriendin M. Zij woont nog altijd in het huis dat wij als studenten jarenlang deelden met nog een derde vriendin. We hadden onze eigen kamers maar leefden praktisch in de keuken, waar het warm en licht was en waar onze vriendin F altijd stond te roeren in een curry terwijl ze tegelijkertijd Of/Of las én Kierkegaard uitlachte omdat hij een pathetisch mannetje was. In wat ooit mijn kamer was geweest, verschoonde ik nu een luier, min of meer op de gok (later bleek dat ik verkeerd had gegokt). Terwijl ik de poepluier in een pedaalemmer deponeerde, daagde het me dat ik mezelf altijd had wijsgemaakt dat ik alleen woonde, zonder ooit daadwerkelijk alleen te wonen. Ook van het huis na mijn studentenkamer waren de muren poreus geweest. Mijn vrienden waren binnen handbereik, bij mijn buurman liep ik te pas en te onpas de tuin in, op straat liep ik altijd een bekende tegen het lijf. Mijn huis gebruikte ik om me terug te trekken wanneer het nodig was. Het alleen-zijn was een keuze, als ik er genoeg van had was ik niet meer alleen.

In de dichtbundel Ik ben de verlosser niet van Johannes van der Sluis lees ik de volgende regels: ‘het is dat de zon schijnt/ maar anders treurige woonwijken/ massa’s mensen/ die moeten worden verlost’. Je kunt het nog zo erg niet willen, maar er komt een moment dat je jezelf herkent in de massa’s. Het aardige aan de verlosser, is dat die zich altijd nét om de hoek bevindt.