Dagboek Irak (slot)

Polygamie en huwelijken met kinderen

Arabiste Kunera Korthals Altes werkt in Irak voor een internationale hulporganisatie. Voor De Groene Amsterdammer houdt zij een dagboek bij over haar contact met de bevolking. Dit is de voorlopig laatste van zes afleveringen (de vorige vijf verschenen in de nummers 33-37). Eerder besprak ze de moord op haar Iraakse collega Zaynab, ondervond ze hoe de toenemende onrust in Irak wordt gevoed door het grote aantal criminelen dat vlak voor de oorlog door Saddam werd vrijgelaten, en zag ze hoe uitzonderlijk plichtsgetrouwe Irakezen, waaronder kinderen, verlaten zieken- en weeshuizen met hun leven verdedigen tegen plunderaars.

Zondag 14 september

Een heftig schuldgevoel drukt zwaar op mijn schouders sinds ik aankwam in de Jordaanse hoofdstad Amman. Waarom ben ik hier en niet in Irak? De onveilige situatie in Irak houdt de hulpverleners weg uit Irak. Ik vraag me voortdurend af hoe reëel dat is, en of de kans groter is in Irak een kogel door je hoofd te krijgen dan in Nederland in het verkeer te sterven.

Ik herinner me Cairo, januari 1998, nog geen twee maanden nadat terroristen zeventig toeristen in Luxor hadden vermoord. Ik ontmoette Paolo, een Italiaan die werkte in de Egyptische privé-sector. Hij vertelde me dat hij van Egypte nog niets had gezien, hij voelde zich een doelwit en had daarom alle tijd in zijn kantoor en in zijn appartement doorgebracht. Ik vond dat erg overdreven en stelde hem voor met een rood met wit zwaailicht op zijn hoofd rond te gaan lopen, om zijn identiteit als «doelwit» te onderstrepen.

Kun je zijn analyse toen vergelijken met de analyse van de VN, de ambassades en de NGO’s nu in Irak? Dit soort vragen spoken door mijn hoofd terwijl ik de laatste hand leg aan mijn rapporten over de situatie van kinderen en vrouwen in Irak.

Maandag 15 september

Bij elke volgende zin dwaal ik af. Ik schrijf over Arabische vrouwen in de provincie Ta’amim. We bezochten daar vele soennitisch-Arabische dorpen. Ik verwachtte na Najaf een veel modernere gemeenschap. Ten onrechte.

Polygamie is wijdverbreid. Huwelijken worden vaak niet geregistreerd omdat de bruiden minderjarig zijn. De sjeik van het dorp, Mohammed, heeft daar een creatieve oplossing voor gevonden: met een kleine betaling wordt de rechter overgehaald om de leeftijd van de jonge bruid aan te passen op papier. Kinderen uit een huwelijk met een minderjarige vrouw vormen ook een probleem. Maar die worden, naar de geest van Mohammed, gewoon geregistreerd als kinderen van een van de oudere vrouwen van de nieuwe vader.

Gescheiden jonge moeders zijn op papier vaak geen moeder. Mannen kiezen er soms ook bewust voor een vrouw te verstoten zonder dat dit in de papieren is terug te vinden. Volgens Latifa, 22 jaar en de zelfmoord nabij — zo zegt zijzelf — doet haar ex-man dit om haar het leven zuur te maken. Ze vertelt het ene gruwelverhaal na het andere. Hoe haar nichtje van twaalf volgens de traditie werd uitgehuwelijkt aan een neef, de zoon van haar oom, terwijl het kind nog nooit had gemenstrueerd. Natuurlijk probeerde de kersverse echtgenoot vanaf dag één haar te ontmaagden. Dat is haram, en dat weet iedereen. Maar, zo zegt Latifa, «mannen weten precies wat haram en wat niet haram is, behalve als het over vrouwen gaat».

Zelf zit ze vast aan een onzichtbare ketting; getrouwd maar verstoten, verliefd op een andere neef met wie ze nooit zal kunnen trouwen, tenzij haar man haar ook op papier scheidt. De vraag blijft of haar ouders haar toestemming zullen geven met deze neef te trouwen, want een huwelijk uit liefde is tegen de traditie — taqlid — en zal bovendien nooit slagen, zo is algemeen bekend in deze gemeenschap.

De Arabieren in Ta’amim zijn in de afgelopen jaren flink gespekt door Saddam. Sommigen wonen al jaren in Ta’amim, anderen zijn door Saddam gehaald. Hij lokte ze met grootschalige landbouwprojecten, met irrigatiekanalen en de aanleg van wegen en huizen. In het kader van de campagne ter arabisering van dit gebied werd hun land aangeboden dat eeuwenlang door Koerden was bewerkt en bewoond. De Koerden werden naar de meest noordelijk gelegen provincies in Irak verdreven.

Nu zijn velen van hen teruggekeerd naar hun oude land. Ze verjoegen op hun beurt de door Saddam gesteunde Arabieren, die vervolgens naar hun oorspronkelijke regio vluchtten. Daar leven zij in voormalige overheidsgebouwen waar ze een geïmproviseerd huishouden voeren.

De geschiedenis herhaalt zich, maar nu zijn beide partijen slachtoffer want er is geen regering meer die een van de twee groepen in de watten legt. De internationale gemeenschap houdt zich verre van de binnenlandse ontheemden vanwege de politieke gevoeligheid. Aangezien het op dit moment onduidelijk is wie recht heeft op welk land, worden ook zij die op betwist land wonen, of woonden, bewust genegeerd.

In sommige regio’s is het regionale bestuur al begonnen met lastercampagnes tegen regionale ontheemden — ook al wonen sommigen van hen al meer dan twintig jaar op hun nieuwe stek. Daaronder de Irakezen die het grensgebied met Iran ontvluchtten tijdens de oorlog met dat land (1980-1988). Een gouverneur presteerde het zelfs al een brief te schrijven aan de Governing Council in Bagdad, waarin hij vraagt de rantsoenkaarten voor voedselhulp (nog steeds olie voor voedsel) van deze ontheemden slechts geldig te laten zijn in gebieden waar zij woonden vóór de oorlog met het buurland. Bijbelse taferelen ontstaan: Irakezen die het land moeten doorreizen naar de plaatsen waar zij vandaan komen.

De Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), die het mandaat over binnenlandse vluchtelingen had (nu overgenomen door de UNHCR), is niet populair onder de Irakezen. De organisatie was al het slachtoffer van twee aanslagen, waarvan één met dodelijk gevolg. Het is tevens de reden voor andere organisaties om zich verre te houden van de kwestie van de binnenlandse ontheemden. Mijn Iraakse collega’s verdenken IOM ervan voor Israël te werken. IOM wordt ook wel Israeli Organisation for Migration genoemd. Het woord migratie in het Arabisch, hizjra, betekent ook exodus. Emigratie wordt daarom geassocieerd met uitzetting van de oorspronkelijke bewoners. De islamitische jaartelling begint met de hizjra, exodus, van de profeet Mohammed uit Mekka in de zevende eeuw na Christus. Een gevoelig woord dus.

Maytham, een van de Iraakse collega’s, is ervan overtuigd dat joden land en huizen opkopen in heel Irak, voornamelijk in de grote steden. En dan wel voor een veel hogere prijs dan Irakezen ooit zouden kunnen betalen. Dan halen ze hun familie en vrienden naar Irak en langzamerhand zullen ze Irak overnemen. Ik vraag hem waarom. Ze hebben hun handen toch vol aan de Westelijke Jordaanoever en Gaza; denkt hij nu echt dat ze ook nog eens Irak willen bezetten? «Ja», zegt Maytham overtuigd. Wist ik dan niet dat de joden het land tussen de Eufraat en de Nijl willen bezetten? En het bewijs kan worden gevonden bij de Zweedse popgroep Abba, die begin jaren tachtig zong over Israël «from the Euphrates to the Nile». Daarnaast is er ooit een profetie uitgesproken dat de Israëliërs vlakbij Najaf zullen worden verslagen, Maytham kan het me laten zien.

Ziezo, voldoende bewijs. Ik kan er niet tegenop. «Weet je trouwens dat Pepsi staat voor ‹pay every penny spent to Israel›? voegt hij nog toe. «Daarom drinken wij Coca Cola of Kufa Cola, want meewerken aan een groter Israël, dat nooit.» En hij lacht erbij.

Ik blijf me verbazen over Maythams overtuigingen. Deze dagelijkse internetsurfer is van de nieuwste muziek en technologie beter op de hoogte dan ik. Hij weet me onder meer te vertellen dat Amerikanen met hun reflecterende zonnebrillen recht door de kleren van vrouwen heen kunnen kijken. Hij raadt me aan een paar extra lagen aan te doen wanneer we een vergadering bijwonen op een Amerikaanse legerbasis.

In het gesprek met hem blijkt opnieuw dat Amerikaanse vrouwen in het leger op weinig respect kunnen rekenen. Zij moeten immers voor de seksuele bevrediging van mannelijke soldaten zorgen, tijdens hun verblijf ver weg van huis. Het verbaast mijn collega’s dat de vrouwen nog energie hebben om vergaderingen bij te wonen.

De vergaderingen op Amerikaanse bases waren een groot feest voor elke westerse werknemer in Irak: verse donuts, brownies, cakes, softdrinks en verse melk. De Amerikaanse soldaten worden goed bevoorraad. Op een van deze vergaderingen ontmoet ik een bloedmooie tweeling: twee meisjes uit Basra die net als ik werken bij een humanitaire organisatie waarvoor ze zich onder meer bezighouden met kinderen. Ze doen me denken aan de zangeressen van Lois Lane.

In tegenstelling tot de meeste vrouwen in Najaf laten zij een klein gedeelte van hun haar zien. We raken aan de praat en dan trekken ze me plotseling weg van de menigte. Kan ik hun advies geven? Natuurlijk, antwoord ik. Met een grote zucht brandt Ahlam los; ze is verliefd, op een Amerikaanse soldaat, die helaas is getrouwd. Ze vraagt me hoe ze hem kan veroveren. Gewoon met hem praten? Een kop koffie drinken, of zou hij dan meer verwachten? Haar zusje is verliefd op een Franse hulpverlener die gisteren werd geëvacueerd nadat een molotovcocktail in zijn kantoor werd gegooid.

De zusjes weigeren een Irakees of een moslim te trouwen. «Dan heb je geen leven; je kookt, je volgt bevelen op en als je niet genoeg kinderen baart, dan kun je het helemaal schudden.» Ahlams oudere zuster is getrouwd met een Irakees en doodongelukkig. Maar hun moeder heeft het goed, zeggen ze. «Dus er zijn toch mogelijkheden?» plaag ik ze. Nee, geen denken aan, Ahlam wil een buitenlander trouwen. En dan het liefst Vladimir Poetin, sterk en robuust, een wereldleider en een professionele beoefenaar van karate. Wat wil je nog meer? Haar tweelingzusje trouwt liever met Tony Blair. We wisselen e-mailadressen uit om zo online de liefdesontwikkelingen te blijven bespreken.

Dinsdag 16 september

Ik verlang terug naar Irak, naar gesprekken met mijn Iraakse collega’s, met de kinderen op straat, met de vrouwen in de dorpen en steden. Ik wil bijdragen aan de toekomst van Iraakse kinderen. De groeiende onveiligheid in Irak houdt me tegen. Dus laat ik mijn Iraakse collega’s in die onveiligheid achter.

Het is een vreemde conclusie. Maar het is ook waar: meer en meer autobommen gaan af, de criminaliteit stijgt; ontvoeringen en roofovervallen vergen dagelijks meer slachtoffers. Het zal maanden in beslag nemen om de groeiende criminaliteit in te dammen.

Ik denk aan Zaynabs dochters. Ik laat ze achter, terwijl ik beloofde terug te komen naar Najaf. Ik heb zoveel plannen gemaakt en ben zoveel vriendschappen begonnen die nu tijdelijk worden afgekapt. Moet ik weigeren toe te geven aan deze onveiligheid? Vriendschap, hoop en verlangen trekken me naar Irak, maar mijn verstand — en vooral dat van mijn man — zegt nee.

Vanmiddag zit ik in het vliegtuig naar Nederland.

Voor even.

(slot)