Economie

Pompeuze idioten

Niemand heeft het moderne bestuur scherper ontleed dan Robert Musil. In De man zonder eigenschappen krijgt een aantal hoogwaardigheidsbekleders in het Wenen van 1913 de opdracht iets groots en verhevens te bedenken ter gelegenheid van het zeventigjarige regeringsjubileum van keizer Frans Josef I.

Het startpunt is: ‘Vredeskeizer, Mijlpaal voor Europa, het Ware Oostenrijk en Bezit en Beschaving’, schrijft Musil. So far, so good. Verheven dromen laten zich lekker schrijven. Het doen van concrete daden is een ander verhaal. Al gauw ontaardt de 'parallelactie’ - want het overtroeven van het dertigjarige regeringsjubileum van keizer Wilhelm II is een niet onbelangrijk nevendoel - in een pleidooi voor meer duikboten voor de Oostenrijkse marine, subsidie voor een nieuwe typemachine en amnestie voor een lustmoordenaar. De moderne bestuurder is niet een kille bureaucraat (Max Weber), een modernistische technocraat (James Scott), een radertje in een panoptische machtsmachine (Michel Foucault), maar een pompeuze idioot.
Vervang 'het Ware Oostenrijk’ door 'Kenniseconomie’ en 'Vredeskeizer’ door 'Innovatieplatform’ en je zit in het Nederland van de 21ste eeuw. Het begon zo fraai, in 2000, met het Lissabon-akkoord dat de EU in de 'meest concurrerende en dynamische economie’ ter wereld moest omtoveren. De lidstaten moesten de schooluitval in 2010 tot tien procent beperken, het aantal leerlingen met een vwo-, havo- of mbo-diploma tot 85 procent laten stijgen, het aantal afgestudeerden in technische en exacte vakken met vijftien procent laten groeien, en ten minste drie procent van het nationaal product in onderzoek en ontwikkeling steken. Grootse ambities gekoppeld aan heldere streefcijfers. So far, so good.
Vier of vijf bestuurslagen verder openbaren zich echter kolderieke gaten tussen droom en daad. Neem de Universiteit van Amsterdam. In het laatste instellingsplan, Leren excelleren, wordt de ambitie uitgesproken om tot de vier beste universiteiten van Nederland te behoren en te stijgen op de mondiale ranglijstjes. Dat moet door 'excellente onderzoekers en docenten aan te trekken en hun een stimulerende omgeving [te] bieden waarin ze hun talenten volop kunnen benutten’.
Dan de werkelijkheid. Sinds 2000 is de UvA meer en meer de proeftuin geworden van het Maagdenhuis. Geen universiteit met zo'n groot waterhoofd. Sinds 2002 is de verhouding tussen staf en docent geleidelijk opgelopen van 53 naar 56 procent. En wie wel eens een UvA-gebouw betreedt, weet dat de ondersteuning niet bij de uitvoerders zit. Op mijn afdeling moeten honderd wetenschappers het met twee secretaresses doen. Nee, de 'ondersteuning’ bestaat uit duurbetaalde staffunctionarissen die zich onledig houden met het constant overhoop halen van de organisatie. Zo zijn ondersteunende diensten verdwenen achter anonieme helpdesks en is de catering verpacht aan een monopolist die matige kwaliteit paart aan hoge prijzen. Afdelingen zijn gefuseerd tot faculteiten en faculteiten tot clusters. Onderzoeksinstituten moesten eerst hun disciplinevleugels uitslaan, toen terug naar de afdelingen, vervolgens meer 'massa en focus’ krijgen en zijn nu opgegaan in brede multidisciplinaire onderzoeksscholen. Cursussen besloegen ooit twaalf punten, moesten toen vanwege internationale harmonisatie naar tien punten en keren nu weer terug naar twaalf. Wie meent dat dit de 'stimulerende omgeving’ is waarin 'excellente onderzoekers en docenten’ hun 'talenten volop kunnen benutten’, is niet wijs.
En het kan nog erger. In november werd mijn faculteit opgeschrikt door verdriedubbelde tekorten. Door een nieuwe rekenmethode werden wij gestraft voor stijgende studentenaantallen, meer publicaties en meer externe gelden. Een vacaturestop, geen verlenging van tijdelijke contracten en minder onderzoekstijd werd ons als bezuinigingen voorgehouden.
Wat er niet bij werd verteld was dat onze bestuurders de laatste jaren op grote schaal projectontwikkelaartje waren gaan spelen. Voor nieuwbouw op het Roeterseiland, verbouw van het Oudemanhuispoort-complex en ontwikkeling van een heus Science Park had de UvA zich zwaar in de schulden gestoken. En waarom ook niet? Onroerend goed kan alleen maar in waarde stijgen, toch? Nu de UvA zucht onder een torenhoge schuldenlast worden medewerkers als citroenen uitgeknepen om de kasstroom maar boven het nieuwe bancaire peil van na de crisis te houden. Ook de studenten worden niet gespaard. Wie een debatje organiseert moet de stoeltjes van de UvA gebruiken, à raison van vier euro per uur per stoel. Wie meent dat staal, glas en steen deze aanslag op het intellectueel kapitaal van de UvA kunnen compenseren, snapt niets van wetenschap.
Dankzij Musil weten we dat grote ideeën wel vaker de stupiditeit hebben gemaskeerd van pompeuze bestuurders, die er ondertussen geen kotelletje minder om aten. Maar dat we anno 2011 niets van zijn verrukkelijke komedie hebben geleerd, stemt somber. Voor de UvA en voor Nederland.