Laure Prouvost, Melting into one another ho hot chaud it heating dip, 2020. Video-installatie, gordijnen, geblazen glas, klei, inktvis, inkt, water, takken, stenen, boeken © Django van Ardenne

In een donkere kelderruimte in het centrum van Arnhem sta ik met zwarte laarzen aan mijn voeten in een plas met inktvisinkt. Transparante gordijnen, die vanaf het plafond door de ruimte hangen, dwingen om een route te kiezen, maar geen enkel pad komt echt ergens op uit. Op de geleende laarzen slof ik dus maar voort, wadend door de inkt in wat lijkt op een onderwaterwereld, langs kleine sculpturen die af en aan giftig oplichten. In een projectie op de vloer steken handen en tentakels uit een bol met vruchten. Neem maar, klinkt een stem verderop uit een mobiele telefoon, neem maar, het is voor jou.

In de duistere installatie van de Franse kunstenaar Laure Prouvost, de ster van de afgelopen Biënnale van Venetië, komt deze editie van Sonsbeek, de internationale kunstmanifestatie die om de zoveel jaar plaatsvindt in Arnhem, eindelijk los. Andere kunstwerken in de centrum-route van de tentoonstelling, van onder anderen Willem de Rooij, Ibrahim Mahama en Oscar Murillo, zijn ook zonder uitzondering mooi en krachtig, en toch overtuigen ze minder. Er lijkt een gat tussen de werelden die de kunst oproept en de realiteit van een tentoonstelling in Arnhem. Het ontmantelde interieur van een Ghanese trein bijvoorbeeld, een installatie van Mahama in de Eusebiuskerk, is waanzinnig. Maar anders dan bij een compleet surrealistisch werk als dat van Prouvost, vraag je je af: waarom hier, waarom nu?

Curator Bonaventure Ndikung heeft op zijn editie van Sonsbeek zoveel drempels opgeworpen dat de kunstwerken er maar ternauwernood bovenuit steken. Dat begint bij de cryptische overkoepelende titel: Force Times Distance: On Labour and Its Sonic Ecologies. Sonsbeek is deze keer uitgesmeerd over vier jaar en ‘nodigt ons uit om te luisteren naar de geluiden die naar de randen van het hoofdmotief zijn verbannen’, ‘leeft in de afwezigheid van het dominante beeld’ en wil ‘complexe arbeidsverhoudingen en ongelijkheden onthullen’. Hoe dat rijmt met de gekozen kunstwerken op de tentoonstelling, blijft vaak onduidelijk: de potentiële kracht van het thema ‘arbeid’ lijkt ten onder te gaan aan zijn eigen omtrekkende bewegingen. Gebrek aan informatie is een probleem. Wie de beknopte gids of QR-code bij een kunstwerk opent – zaalteksten zijn er niet – wordt omvergeblazen door jargon en slordigheden. Ndikung geldt internationaal als een hotshot – hij is onder meer de nieuwe directeur van het Haus der Kulturen der Welt in Berlijn – maar deze tentoonstelling verdient geen schoonheidsprijs.

Onbetwiste highlight: de video van Wendelien van Oldenborgh

Randzaken, kun je zeggen, maar het zijn de randen waar een expositie begint en eindigt, de randen waar een publiek binnenkomt en vertrekt. Je hoopt dat ze nog eens terugkomen.

De kunstwerken zijn wijdverspreid. Ik fietste zover het fietspad reikte, tot in de kop van Park Zypendaal, daar kun je nog verder naar Buitenplaats Koningsweg en het Kröller-Müller Museum. In Park Sonsbeek valt de kunst op zijn plaats. De educatieve presentatie van The Black Archives in de Stadsvilla legt haarfijn het verband tussen de stad Arnhem, haar parken en het koloniale verleden. De nieuwe video van Wendelien van Oldenborgh, die aan de voet van de Steile Tuin draait in een paviljoen ontworpen door Erika Hock, heeft ook een lokaal vertrekpunt. Hier. is gemaakt in opdracht van Sonsbeek en gaat over ons, hier, nu. Het is een onbetwiste highlight. We zien jonge vrouwen rondlopen in Museum Arnhem, een gebouw met een (koloniale) geschiedenis dat momenteel in verbouwing is. Ze delen persoonlijke herinneringen over hun achtergrond en vertellen over de relatie met hun eigen identiteit. De video springt van de een naar de ander, van de drie leden van de band FRED die improviseren op krontjongmuziek, naar schrijver Pelumi Adejumo die op haar buik op de vloer ligt en voorleest, naar schrijver en historicus Lara Nuberg die rondloopt en reageert op wat ze hoort en ziet. Zoals in al het werk van Van Oldenborgh speelt het gebouw zelf ook een rol, in staat van renovatie tegelijk sterk en kwetsbaar, zichtbaar tot in de essentie.

Mooi zijn de bespiegelingen van Adejumo, een tekst geïnspireerd door gesprekken met anderen. Een anekdote over een Indonesische overgrootvader met een Nederlandse buurman bleef bij. De buurman had een pompoenplant en de wortels van die plant kenden geen grenzen: ook in de tuin van de overgrootvader ‘begon het oranje zich af te steken tegen het groen’. De buurman eigende zich die tuin als vanzelfsprekend toe. ‘Hoe zelfs de grond onder je voeten je verwerpen kan’, merkt Adejumo op.

Twee kleine meisjes, ieder met een andere huidskleur, beklimmen het paviljoen van Hock en dansen samen even uitbundig op de muziek van FRED. Dan rennen ze het park weer in. Als ‘sonische ecologieën’ betekent dat ieder mens een deel van de geschiedenis in zich meedraagt, met een eigen gevoel voor ritme, dan is dat prachtig.

Sonsbeek 20-24 is t/m 29 augustus gratis te bezoeken. De manifestatie met publieksprogramma loopt tot 2024 met volgend jaar onder meer een tentoonstelling in het Amsterdamse Stedelijk Museum, sonsbeek20-24.org