‘Brekingsindex. Alles wat met schittering, doorzicht en breking van het licht in het glas van doen heeft, valt buiten het bestek van dit naslagwerk.’ Staat op p. 155 van dit boek over glas met als ondertitel: ‘Encyclopedisch Woordenboek: van aandacht tot breuk’. Niet de werking van het glas dus, alleen het glas zelf.

Op een tafeltje links in mijn werkkamer staat een handtasje, van glas geblazen door Bernard Heesen, doorzichtig glas, een echt handtasje, je zou er als dame mee naar een concert kunnen gaan, poederdozen erin, lipsticks, rolletjes pepermunt, zakdoekjes, afgebroken stokjes, sleutelbossen, geheime berichten op stukjes karton, dingen die niemand mag weten, jij zelf ook niet,muntjes, een fotootje van een huis, stille wenken, wat vergeten was, wat onthouden. Je neemt het zichtbaar met je mee in dit tasje, dat schittert, breekt in het licht van het theater. Dit tasje is van glas en wil dat weten ook, zodat het toch ineens een tasje is.
Hoe spreek je over glasblazen wanneer je weet dat bij ieder spreken het glas aan stukken dreigt te vallen? Je wilt er niet over praten, een storend geluid kan funest zijn, bij glas is nu eenmaal voorzichtigheid geboden, zoals de glasblazer via omwegen, tussenspelen, zijpaden en gefluisterde of geschreeuwde aanwijzingen zich met de allergrootse zorg binnen de voorschriften van het glas beweegt. Zoals ook de dichter zich met de grootst mogelijke voorzichtigheid binnen het spreken ophoudt. Ieder woord te veel is een verlies.
Het boek kiest voor het encyclopedisch spreken omdat daarmee de voorzichtigheid is gegarandeerd. De grote woorden staan midden tussen de kleine, zuivere woorden naast de vervuilde en verlegene, bolle naast de schuwe, onzegbare tussen de luidruchtige. Geen woorden over schittering, doorzicht en breking van het glas, wel over het maken ervan. Over de kennis. ‘Aanloopkleuren’. 'Ademstoot’. 'Aftikken’ ( het angstaanjagende moment wanneer de glasblazer het glas van de ponti moet afbreken). Ponti, of aanzetijzer is de ijzeren staaf waarmee het glas van de pijp overgenomen wordt. Prachtige woorden: 'Alembiek’, 'Alvertje’, 'Ammelies’, 'Badkuipverfahren’, 'Baggeraar’ (een glasblazer die het nooit ofte nimmer zal leren), 'Bataafse tranen’,'Bdellometer’, 'Bellenrekje’. Ik weet nu de verschillen tussen 'snotje’, 'drupje’, 'dropje’, 'flupje’, 'draad’ en 'klets’. Maar ook verhalen,essays, anekdotes over armworstelen, voetballen, gedichten, plaatjes, vervaarlijke definities van glas, enge glasgedrochten.
Ik ben tien jaar, ziek, niet heel erg, over drie dagen mag ik weer naar buiten, moeder brengt een boek bij mijn bed. Kijk eens wat ik voor je gekocht heb, zegt ze. Het is Het Winterboek 1954, het begint met een verhaal over een jongen die van huis weggelopen is, daarna een puzzel, dan een stripverhaal, dan een kleine beschouwing over de nieuwste auto’s en de autofabrieken, ik sta aan de lopende band en zet de motor in elkaar.
Dan weer een verhaal, boeven breken in bij een rijke industrieel, de zoon van de koetsier zorgt voor hun arrestatie. Ik lees dit boek veertien keer omdat het geen einde heeft. En geen begin. Ik ben niet overgeleverd aan de voorschriften ervan.