Pontificale orgieën

David Madsen, Herinneringen van een gnostische dwerg. Uit het Engels vertaald door Jelle Noorman. Uitg. Atlas, 319 blz., 349,90. Luigi Malerba, De maskers. Uit het Italiaans vertaald door Etta Maris. Uitg. Arbeiderspers, 244 blz., 336,90
Als in 1521 na een pontificaat van bijna tien jaar paus Leo X sterft, is de politieke rivaliteit tussen de kardinalen zo groot dat ze na elf stemmingen in januari 1522 bij gebrek aan beter maar kiezen voor een afwezige, de kardinaal van Tortosa, Adrianus Florisz. van Utrecht. Terwijl hij nog onderweg was van Spanje naar Rome, vaardigde Adrianus VI - de Vlaamse Paus, zoals het volk de ‘barbaar’ noemde - een aantal verordeningen uit om de macht en bevoegdheden van de hogere geestelijken aan banden te leggen.

Met deze situatie begint de roman De maskers (1989) van de Italiaanse schrijver Luigi Malerba (1929). Het verhaal draait verder om twee kardinalen die beiden hetzelfde hoge ambt van pauselijk kamerling begeren. Een van hen moet als gevolg van de pauselijke bul niet alleen zijn paleis en de daarmee verbonden culinaire en sociale geneugten opgeven, maar ook het hoertje dat hij in huis genomen heeft. Als de nieuwe paus op het laatst de hoofdstad bereikt, heerst daar de pest; meer aandacht heeft hij voor de wanorde die de kerk teistert in de vorm van simonie, nepotisme, de jacht op prebenden en beneficiën enzovoort.
De manier waarop Malerba die heksenketel behandelt, lijkt nuchter, zelfs zuinig in vergelijking met een andere roman die zojuist in vertaling is verschenen, Herinneringen van een gnostische dwerg van David Madsen. Wie Madsen is, vertelt de uitgever niet; de auteur zelf doet het in zijn voorwoord voorkomen als zou hij alleen de vertaler zijn van deze memoires.
Waar Malerba begint, eindigt Madsen, met de dood van paus Leo X, maar hun ty pering van deze rondborstige man verschilt nogal. ‘Leo X, die nooit één amoureuze activiteit had ontplooid en alles verafschuwde wat ermee te maken had…’, schrijft Malerba. De dwerg die Madsen aan het werk zet, beschrijft aan het begin van zijn herinneringen hoe hij Zijne Heiligheid uit Augustinus voorleest terwijl een geneesheer Leo’s etterende aars behandelt met onder meer een stinkend smeersel bereid uit maagdenpis. Leo’s ongemak is niet in de laatste plaats te danken aan de zwaargeschapen jongemannen die de dwerg voor hem van straat oppikt. Zo eenvoudig Leo in zijn vroomheid is, zo gecompliceerd is deze De’ Medici in zijn seksuele uitspattingen, politieke machinaties en liefde voor de kunst. Dwerg en kardinaal treffen elkaar bij een orgie in Florence. Als de paus erachter komt dat de dwerg die hem jarenlang als kamerheer en vertrouweling gediend heeft, met de ketterse gnostici te maken heeft, tekent Zijne Heiligheid daarmee zijn eigen doodvonnis.
Madsen waande zich waarschijnlijk een Fellini die Petronius verfilmde. Of hij nu de inwijdingsrituelen van de gnostici beschrijft of de tafelmanieren van De’ Medici of de methoden van de inquisitie, in alle gevallen haalt hij er eruit wat erin zit aan groteske of morbide sappigheden.
Het is waarschijnlijk vooral om de excessen dat die periode auteurs en publiek blijft boeien; ik tel recent zo al vijf vertalingen van historische werken over de zestiende en zeventiende eeuw, stuk voor stuk gaan ze over pausen of kloosters, en geen van die romans wekt de indruk uit zuiver historische belangstelling geschreven te zijn, als iemand al weet wat dat is.