Ger Groot

Poort

«In haar herinnering was alles ontzag inboezemend donkerrood, bruin en duister, terwijl nu de gangen en zalen van een onverschillig en neutraal grijs met wit waren. De oude kantine was tot collegezaal verbouwd en op de plaats van de vroegere aula, die tot fluisteren aanleiding gevende tempel van wetenschappelijke waardigheid, was nu een immense, hoge, holle tl-verlichte ruimte die overdag als centrale kantine diende.»

De plaats is de Oudemanhuispoort, de woorden komen uit het verhaal Onder studenten van Jan Donkers. Het werd geschreven in de jaren zeventig, toen Donkers regelmatig in De Revisor publiceerde. «Tijdsbeelden» konden zijn verhalen toen nog niet worden genoemd. Dat zijn ze pas na enkele decennia geworden: berichten uit een land dat ons nu al vreemd lijkt.

Sommige van Donkers’ verhalen hebben de tijd overleefd, zoals de donjuaneske vertelling Over Neckheim, die in De Revisor Niet verder vertellen heette. En Ouders van nu, het schrijnende verhaal van een gescheiden paar dat een bezoek brengt aan hun mentaal gehandicapte zoontje in het oude Binnengasthuis, op een steenworp afstand van de Poort. Dat verhaal heeft zijn titel gehouden en gaf zelfs de naam aan een van Donkers’ verzamelbundels. Titels zijn nooit zijn sterkste kant geweest.

Donkers komt niet voor in het geschiedenisboek De Poort (uitg. Boom) waarin Jurjen Vis de vierhonderdjarige historie van het Oudemanhuispoortcomplex vertelt: bejaar denoord, hospitaal, kunstacademie, museum en vanaf 1880 de zetel van de piepjonge Universiteit van Amsterdam. Toch heeft Donkers in een paar zinnen weten op te roepen wat bij Vis verscholen blijft achter de knus-nostalgische opgewektheid die de heemkunde eigen schijnt te zijn. De gedaanteverandering die de Poort in de jaren zestig heeft ondergaan, was weliswaar niet de eerste maar moet wel de meest troosteloze uit haar historie zijn geweest.

In De Poort herinnert Arnold Heertje zich de oude aula in dezelfde woorden als Donkers: «De sfeer was er warm, ingetogen, intiem, de lucht die er hing was er een van wetenschap.» Neerlandica Frieda Smit Duyzentkunst zegt er dan ook niets van te begrijpen dat Annie Romein de Oudemanhuispoort in Omzien in verwondering ooit «armzalig» heeft kunnen noemen.

Als protagoniste van Voskuils Bij nader inzien (waar ze Hettie Bakker heet) figureert Smit Duyzentkunst in een van de weinige Nederlandse romans waarin de Poort een belangrijke rol vervult. Het is ook de enige die Vis citeert. «Nieuwe studenten kwamen binnen, sommigen met stoelen boven hun hoofd, en vulden langzaam de hoeken van de zaal achter de katheder en de ruimte tot aan de deur. Alleen een smal pad werd opengelaten.» Zo beschreef Voskuil een college in zaal 47, in de nieuwbouw uit de jaren twintig die wegens zijn opvallende ramen «De schaats» werd genoemd.

College werd er toen nog gegeven door de filosoof H.J. Pos. Twintig jaar later had het de historicus Jacques Presser kunnen zijn. Vlak nadat in 1963 de grote sloopwerkzaamheden begonnen waren waaraan de aula ten offer viel, bezong hij het complex ironisch in het kolderieke detectiveverhaal Moord in de Poort, geschreven naar beproefd Agatha Christie-recept maar met een fikse dosis academische zelfspot.

Alles lijkt bij Presser nog bij het oude, al wordt de rust reeds verstoord door «het gedoe en gedraaf van een groot aantal bij de verbouwingen betrokken werklieden». De universiteit moderniseert, en niet alleen bouwkundig. De eerste pretstudies hebben hun intrede al gedaan. De «filosomatische faculteit heeft zich genesteld in het hart zelve van de Universiteit», spot Presser. Ze biedt haar studenten «colleges astrologie, theoretische en praktische erotiek, tantrisme, paragnostiek en klokkijken».

Ook dan al zijn de captains of industry gefascineerd en fourneren zij grote bedragen in wat pas veel later de derde geldstroom zal gaan heten. De speurder uit het boek, een no nonsense-medicus uit de school van de klassieke wetenschap, mompelt nog: «We hebben hier toch maar niet zo’n pseudo-universiteit als een Amerikaans college of zo?» maar hij is al niet meer bij de tijd.

Nog eens twintig jaar later schrijft Jan Donkers: «In de donkere, overdekte poort waar achter dezelfde morsige schragen dezelfde mannen nog hetzelfde onaanlokkelijke assortiment boeken verkochten, stonden enkele van haar collegegenoten, de fietsen aan de hand, na te praten.» Sommige dingen veranderen nooit.