Steven Stark, Greil Marcus

Pop en geschiedenis

Steven Stark

Hoe de Beatles de wereld veranderden

Het Spectrum, 327 blz., € 24,95

Greil Marcus

Like a Rolling Stone: Bob Dylan at the Crossroads

Faber and Faber

Op het in Haarlem en omstreken welbekende Boudewijn de Groot-forum deed kortelings een vrouw van middelbare leeftijd een bekentenis aan de elektronische brievenbus. Het ging over dat ene lied van die andere protestzanger, Ben ik te min – «omdat je pa in een grotere kar rijdt dan de mijne». Dat nummer van de Eindhovense principiële tsjillumroker Armand had veel betekend voor haar en haar vrienden die gewoon droegen en deden wat ze wilden op «de kakschool» in Aerdenhout, waar ze als pubers door hun pa en ma naartoe gezonden waren. Het had hen bevestigd in hun grote, eigenwijze en onmogelijke streven. Zo moeten er meer nummers zijn geweest, van eigen bodem en in eigen taal uitdrukking gevend aan de tegencultuur van de jaren zestig: Mijnheer de president, tegen het Amerikaanse optreden in Vietnam van Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh, en natuurlijk het onzinnige Het land van Maas en Waal van hetzelfde liedschrijversduo. Een nummer dat de stijve polder van Drees eraan herinnerde dat het lage land ooit het rijk was geweest van het Circus Jeroen Bosch: een ludieke bende avant la date. Het was een nummer waarbij de makers, zeiden ze later, zich hadden laten leiden door het geluid en de sfeer van de song van de sixties: Dylans Like a Rolling Stone.

De klank van de jaren zestig. Ze bestaat niet alleen in reclames voor de zoveelste gelikte verzamel-cd, ze was ook ooit opwindende kelderwerkelijkheid. Het is verleidelijk om met wijlen historicus Hans Righart in de popmuziek een van de belangrijkste sleutels te zien tot de tijd van het lange haar en de korte en daarna weer extreem lange rok. Righart, auteur van het nostalgische generatieconflictboek De eindeloze jaren zestig, schreef ooit dat de muziek een «grensoverschrijdende generatiesamenhang» deed ontstaan. Het ontblote bovenlijf van Jim Morrison, de ruitjesbroek van Boudewijn de Groot, de bloemetjesjas van Donovan en vanzelfsprekend hun teksten en melodie en. Het verwees naar elkaar en naar de wording van een nieuwe moraal. Of in de woorden van Righart: «Individuele, formatieve ervaringen zoals eerste seksuele contacten en confrontaties met het gezag in de vorm van ouders of school werden als het ware ingeëtst door popmuziek.» Anders gezegd: Lennon en McCartney, Dylan en hier te lande Armand en de Haarlemse Boudewijn waren profeten van een testament dat op zwart vinyl de Verbeelding de plaats moest geven die haar toekwam. Ze waren het tegendeel van zangers als Engelbert Humperdinck, Frank Sinatra en Eddie Christiani die hitserig, zwoel of onschuldig croonden over de vele zegeningen van de burgerlijke wereld.

Maar de nieuwe levensstijl en de nieuwe muziek, laat zich dat wel vangen in het geschreven woord, en geeft studie van de rock daadwerkelijk inzicht in het veranderende tijdsgewricht? De popprofessor die het verband tussen rock en revolutie aannemelijk wil maken, verslikt zich doorgaans in een theoretisch betoog dat de beatmuziek berooft van het leven. En veel popjournalisten ko men nauwelijks toe aan de vraag naar de maatschappelijke betekenis van hun helden, meegesleept als ze worden door het altijd weer spannende wat en wanneer van de rock-anekdotiek. Het is derhalve prettig dat er af en toe boeken verschijnen van auteurs die de muziek willen verankeren in de samenleving en die desondanks niet lijden aan de intellectualistische overdaad van het popacademisme.

Hoe de Beatles de wereld veranderden van de Amerikaanse cultuurpublicist Steven Stark en Like a Rolling Stone van de eveneens uit Amerika afkomstige aartsvader van de lagere-cultuurstudies Greil Marcus zijn van dat soort boeken. Ze zijn op eigen wijze met verve geschreven en beloven veel, zo niet alles. Hoe het naoorlogse Amerika en de popmuziek nooit meer hetzelfde waren na dat nummer van Dylan is het onderwerp van het ene boek. Het andere gaat over het aanzien van de wereld, dat, althans in het Westen, anders zou zijn geworden nadat de storm uit Liverpool voorbij was geraasd. Voor minder dan zulke allesomvattende culturele analyses doen de auteurs het niet. Ze zien de hand van de geschiedenis in drums, orgel en gitaar. Righart wordt aldus op zijn wenken bediend: popmuziek als verklarende en het tijdvak openbrekende factor. Maar overtuigt het ook?

«In den beginne was de gil», schrijft Stark. Daarmee is de toon gezet van zijn boek, dat de Fab Four neerzet als de eerstgeborenen op een nieuwe, hippe aarde, in navolging van tijdgenoten als drugsgoeroe Timoty Leary, die de vier «de Goddelijke Messiassen» noemde, en van poprecensenten die schreven dat het bij het uitkomen van Sgt. Pepper was «alsof Jezus in Jeruzalem arriveerde». Op het moment dat het evangelie van de Beatles zich verspreidde was de rock-’n-roll op sterven na dood en voorzover ze nog bestond het bezit van macho’s als Jerry Lee Lewis en Chuck Berrry. Zij waren als het ware de dijkers – de nozems – die niks wilden, behalve een «lekker wijf», drank en een beetje rondschoppen. De Beatles weken van dat negatieve model af, omdat ze volgens Stark boven alles positivo’s bleken. Ze tornden met hun androgyne uiterlijk, hun lieve liedjes en hun hoge falset-vocalen aan de vanzelfsprekende mannelijke dominantie in cultuur en muziek. Dankzij hun optredens mochten vrouwen voor het eerst uit het keurslijf van het aanrecht stappen en krijsend de eerste schreden zetten op de weg die tot de seksuele revolutie zou leiden.

En zo voert Stark meer voorbeelden aan die telkens weer op hetzelfde neerkomen: de Beatles waren de voorhoede van een generatie die met behulp van de Beatlemania zichzelf ontdekte en van die exploratie van dat zelf een levensdoel durfde te maken, de jongens evenzo als de meisjes. Good old England, de Queen, de president, vader, moeder of tante deden er niet toe, wat telde was de allerindividueelste vrijheid, die nooit eerder in de geschiedenis zo’n collectief project was geweest. «It’ll Be a Long Hard Fight» zongen Amerikaanse jongeren op de melodie van A Hard Day’s Night tijdens bezettingen van universiteits gebouwen. En toen Dylan voor het eerst een Beatles-nummer – I Want to Hold Your Hand – hoorde op de autoradio sprong hij naar eigen zeggen bijna uit de wagen en riep: «Tering! Dat was waanzinnig goed! Jezus man, wauw!» De bevrijding die op z’n James Deans uitzichtloos was geworden, had een nieuwe, ruimere jas gekregen.

Wat dat nieuwe precies was, daar gaat Dylans Like a Rolling Stone over. De tijdgenoten zelf, schrijft Marcus, begrepen dat dit lied alles op z’n kop zette, zonder dat ze dat konden benoemen. Het was Sartres adagium «we zijn gedoemd vrij te zijn» verpakt in een nummer dat vanaf de eerste drumslag de luisteraar niet meer losliet. «What’s this all about», vroeg Booker T.-gitarist Steve Cropper zich af, te midden van een groep muzikanten die er net als hij helemaal van in de war raakten. «It’s willingness to judge others without judging oneself.» Dat was de betekenis van de song, oordeelde een criticus. Het nummer was de zelfrechtvaardiging van een nieuwe generatie die zich zes minuten lang zag opgenomen in de erehemel van het eigen gelijk. De stalinistische folkclubjes die Dylans vermaarde elektrische wereldtournee van 1966 verstierden met boegeroep en voetstampen begrepen het misschien nog het best: Dylan was gevallen voor het hedonisme, en vooral dat ene onbeschaafd grove nummer getuigde daarvan. Het collectieve doel – de burgerrechten be weging, Vietnam – was gesmoord in het eigenbelang van wat de communisten noemden een «vals klassen bewustzijn». Marcus sleept van alles aan om te bewijzen dat het nummer een keerpunt was. In een eerder boek, The Invisible Republic: Bob Dylan’s Basement Tapes, verbond hij het werk van Dylan al met het onzichtbare, vreemde Amerika dat ooit uitgevonden was in de heikneuterige heuvels van de Appalachen en in de delta van de Mississippi. Het Amerika van de belofte, concludeert hij nu, kwam in Dylans Like a Rolling Stone samen met de droom van the sixties.

Het is een groots en meeslepend feest der herkenning. Zowel wat Marcus te berde brengt over His Bobness als wat Stark schrijft over de Beatles. Dat er iets gaande was wat leek op een collectieve «formatieve ervaring»; de gedeelde in dividuele popbeleving van massa’s hippe chicks en vogels wijst erop. «Muziek zou je laten voelen hoe de ophanden zijnde revolutie er ongeveer uit zou zien», zei een Beatles-fan. Maar het probleem is dat noch Marcus, noch Stark veel meer geeft dan een krachtige echo van het levensgevoel dat de jongeren van toen hadden over zichzelf en de wereld. Of de jongerencultuur van «zestig» daadwerkelijk een breuk was met de manier van leven uit voorafgaande tijdvakken? Het blijft de vraag. Zeker is alleen dat het zo ervaren werd en dat de popindustrie sindsdien werk heeft ge maakt van het verschil. Ondertussen blijven de archetypen uit de jaren zestig herinneringen oproepen aan andere, vergelijkbare figuren uit vroeger tijden. De Napoleon in rags, de hoogmoedige zwerver in alternatieve lompen uit Like a Rolling Stone, of, om dichter bij huis te blijven, het zelfbewuste hoofdpersonage uit Ben ik te min – ze lijken verdacht veel op de jonge Werther. Die leed in de achttiende eeuw ook al aan een on geneeslijk romantisch verlangen.