Film - The end of the tour

Popcorn en fris

Binge-watch is het Engelse woord van het jaar volgens de Britse uitgever Collins. Op dezelfde dag waarop dit in de kranten stond, zag ik The End of the Tour, een film over de Amerikaanse schrijver David Foster Wallace die in 2008 een eind aan zijn leven maakte na een lange strijd tegen depressie.

Hoewel de film zijn zelfmoord grotendeels buiten beschouwing laat, schetst het werk een pijnlijk beeld van de correlatie tussen Wallace’s mentale achteruitgang en zijn consumptie van film en televisie.

Aanvankelijk legt Wallace nog redelijk nuchter uit dat televisie kijken met mate goed is. Maar tegen het einde van het verhaal kent hijzelf op dit gebied geen grenzen, alsof hij slachtoffer is geworden van the Entertainment, de film die in zijn roman Infinite Jest (1996) zo’n bedwelmende invloed heeft dat de kijker geen wil meer heeft om iets anders te doen dan eindeloos kijken. Samen met David Lipsky, een reporter van Rolling Stone, en twee vriendinnen gaat Wallace naar de bioscoop om een actiefilm te zien. Met zijn popcorn en blikje fris is hij als een kind zo blij. Na de film vraagt hij aan de dames of ze een televisie hebben. Dat hebben ze. Vervolgens zit Wallace bij hen thuis tot diep in de nacht te kijken, met TV Guide op zijn schoot.

Wie naar The End of the Tour gaat, ziet de aftakeling van een bijzonder mens. Wallace leed aan depressie, maar de suggestie is dat zijn crisis ook gekoppeld was aan cultuur. En het is een giftige connectie. In zijn beroemde essay E Unibus Pluram: Television and U.S. Fiction schrijft Wallace dat televisie kijken een reddingsboei voor eenzame mensen is. Televisie stelt je in principe ertoe in staat te kijken zonder te worden bekeken. ‘Eenzame mensen willen niet de emotionele prijs betalen voor omgaan met anderen. En toch hunkeren ze naar taferelen en scènes. Dus, televisie kijken.’ Dat lijkt op voyeurisme, maar het snijdt dieper. Wat we op televisie zien is een performance, een spektakel, wat per definitie kijkers vereist. Maar de personages op het scherm weten dat ze bekeken worden. Dit zelfbewuste proces van kijken leidt tot stagnatie, zodat ironie als traditionele, literaire modus van opstand en verzet tandeloos wordt.

Op deze achtergrond speelt The End of the Tour in. De film, met Jesse Eisenberg in de rol van Lipsky en Jason Segel als Wallace, laat zien dat er tussen Wallace’s leven en zijn denken geen licht was. Dat heeft iets tragisch, zoals de titel suggereert: de zelfmoord van de schrijver was het einde van een lang gevecht tegen persoonlijke demonen, maar ook tegen de vernietigende effecten van de leegte die de moderne cultuur in een mens kan veroorzaken. Een dubbele ironie: hoe fijn Wallace dezelfde cultuur vindt, hoe hij daar blij van wordt wanneer hij toegeeft aan de verleiding door zich te storten op nachten met Magnum P.I., M.A.S.H., St. Elsewhere et cetera.

Ik heb geen tv in mijn huis, zegt hij eerder in de film tegen Lipsky, omdat ik dan niets anders meer zal doen dan kijken. In zijn essay brengt hij de conditie waaraan hij leed onder woorden. Hij noemt het de ‘metastase van het kijken’. Dat was in 1993, meer dan twintig jaar voordat binge-watch woord van het jaar werd.

Te zien vanaf 12 november.


Beeld: The end of the tour_. Foto IMDB_