De esthetisering van het terrorisme

Popgroep RAF

In films, toneelstukken en in de mode herleven de leden van de Rote Armee Fraktion (RAF) als culthelden. Andreas Baader doet het goed als Duitse variant op Che Guevara. Door het terrorisme te esthetiseren en te commercialiseren wordt het verleden publiekelijk verkracht.

De Duitse minister van Buitenlandse Zaken Joschka Fischer stond een jaar geleden onder grote druk. Opeens was hij onderwerp geworden van een publiek debat over zijn precieze deelname aan militante acties in de jaren zeventig. Gooide hij met stenen tijdens krakersrellen in Frankfurt naar een politieagent? Zat hij in een kraakpand aan het ontbijt met een lid van de Rote Armee Fraktion? Had hij tijdens een RAF-proces valse getuigenverklaringen afgelegd? Op basis van zeven aanklachten (onder meer van een dochter van Ulrike Meinhof, Bettina Röhl) startte justitie een onderzoek naar de jeugdzondes van de groene minister. In een boetereflex onderwierpen de Duitsers zich in de media en in de Bondsdag wekenlang aan een zelfanalyse over het bruine verleden en de radicale reactie daarop in de jaren zeventig vanuit de marxistisch georiënteerde RAF, in het beginstadium ook wel Baader-Meinhof-groep genoemd, naar de oprichters Ulrike Meinhof en Andreas Baader. De Historikerstreit — de vraag in hoeverre fascisme en communisme in de praktijk vergelijkbaar zijn — werd als vanouds gevoerd binnen academische kringen. Uiteindelijk wist Joschka Fischer zichzelf in de rechtszaal vrij te pleiten, waarop de discussie weer wegebde.

Haaks op deze gewetensvraagstukken over het eigen verleden, staat een ontwikkeling die zich begon af te tekenen precies in de tijd dat de minister zich in de beklaagdenbank moest verdedigen voor zijn oprechte woede als linkse activist. In films, toneelstukken en in de mode herleven de leden van de RAF als ware culthelden. Een nieuwe generatie Duitsers — de kinderen van de babyboomers — reageert geheel in eigen stijl op de heftige politieke periode van hun ouders, namelijk door engagement te esthetiseren en te vercommercialiseren. Niet langer is het rode activisme, en de uitwassen daarvan, van de RAF onderwerp van ingewikkelde intellectuele verhandelingen zoals in de jaren tachtig en negentig. Begin 21ste eeuw wordt linkse ideologie cool gemaakt door haar los te weken van de toenmalige inhoud en maatschappelijke impact. Deze tendens past in een algehele mondiale post-Koude-Oorlogattitude. Maar wel is het heel Duits om de RAF op te voeren als een nieuwe modieuze mythe die in de presentatie in alle opzichten geweld doet aan de waarheid en de waarde van de geschiedenis.

De eerste aanzet tot de neue RAF-Welle deed de fotograaf Andreas Schiko in de lente van vorig jaar voor het Duitse modetijdschrift Tussi Deluxe met een ruim twintig pagina’s tellende reportage met Andreas Baader als grote ster. Oude symbolen van de kapitalistische maatschappij waar RAF-leden zich tegen verzetten, worden gebruikt als hippe modebeelden. Op een foto ligt een bloedende Andreas Baader voor een Porsche, met naast zich een paar herenpantoffeltjes. Het onderschrift luidt: «Gezien bij Woolworth». Op een andere foto hangt Jan Carl Raspe in modieuze kleren tegen een vette Mercedes, een beeld dat Duitsers van boven de veertig onmiddellijk associëren met de dood van werkgeversvoorzitter Hanns Martin Schleyer. Hij werd op 5 september 1977 met veel geweld ontvoerd, waarbij zijn chauffeur en drie lijfwachten onmiddellijk door kogels werden gedood.

Schleyer — die als SS’er tijdens de oorlog de Tsjechische industrie plunderde — diende als onderpand van een eis tot vrijlating van elf gevangen RAF-leden. Toen de Duitse staat daar niet op inging, kaapte een Palestijns commando een Duits verkeersvliegtuig op weg van Mallorca naar Frankfurt. De kapers vroegen — de kist stond inmiddels in Mogadishu aan de grond — behalve om de vrijlating van eigen politieke gevangenen ook om ondersteuning van de RAF-eisen. Na een succesvolle bevrijdingsactie door een Duits antiterroristencommando kreeg Schleyer alsnog een nekschot. De foto van zijn lijk, opgevouwen in de achterbak van de Mercedes, deed in die dagen een grote schok door de wereld gaan. De gevangen RAF-leiders Baader, zijn vriendin Gudrun Ensslin en Raspe stierven kort daarop in de Stammheim-gevangenis in Stuttgart. Tot op heden verschillen de verklaringen van hun dood. Volgens de autoriteiten ging het om collectieve zelfmoord met door handlangers binnengesmokkelde pistolen. Sympathisanten van de RAF hebben altijd beweerd dat ze werden vermoord. Het zijn ogenschijnlijk omstreden feiten waarmee de reclamemakers in de foto’s koketteren.

Minstens zo stuitend, zoniet ronduit walgelijk, is een andere fotoserie van enkele jaren geleden in een Deens blad dat veel wordt gekocht door jonge Duitsers. In een fictieve reportage met een wervend verhaaltje speelt «de moeder van de revolutie» Ulrike Meinhof de hoofdrol. Op een foto vergaderen terroristen in een café, met als tekst: «Er wordt een actie beraamd die duidelijk wil maken dat er te weinig vrede is in de wereld. Ulrike draagt een knalgele overall van het supergeile merk Diesel ter waarde van ruim 650 euro. Kameraad Andreas Baader draagt een gestreepte zwarte jas met een polokraagje van het merk Matinique.» Een andere tekst luidt: «Op weg naar het Stammheimer proces in 1975 roept Ulrike met zwakke stem: ‘Hij leeft, de revolutie!’ Bij weer een andere foto: «Ze beroofde zich van haar leven, ze draagt een lila-geel geruit Diesel-hemd van honderd procent polyamide.»

Ook hierbij zal de historische context de doelgroep ontgaan. Ulrike Meinhof was in 1975 inmiddels verregaand geradicaliseerd ten opzichte van haar beginperiode als stadsguerrillastrijder, die feitelijk was begonnen met het RAF-manifest van april 1971, dat ze samen met Andreas Baader opstelde. Dat was een jaar na de officiële oprichting op 14 mei 1970, op de dag dat Baader met geweld en ten koste van een handvol mensenlevens uit een gevangenis in Berlijn werd bevrijd. Gerichte bomaanslagen waarbij doden en gewonden vielen, bankovervallen om aan geld te komen, ontvoeringen en liquidaties van industriëlen behoorden in 1975 tot de geëigende middelen van het «gewapende anti-imperialistische verzet in de grote metropolen». In 1976, een jaar na de mislukte bezetting van de Duitse ambassade in Stockholm, overleed Ulrike Meinhof in haar cel door ophanging. Ook in haar geval blijft tot op heden onduidelijk of ze zelfmoord pleegde — mede als gevolg van permanente isolatie — of dat ze zou zijn gewurgd waarna de ophanging werd geënsceneerd. Over de onmenselijke behandeling van de gevangenen en de dood van de RAF-kopstukken wordt nog steeds uitgebreid gediscussieerd.

Sinds deze twee opvallende modereportages beleven RAF-kopstukken Baader en Meinhof een comeback als fashion-model. Sinds kort liggen in de schappen van toonaangevende modewinkels T-shirts met het opschrift «Prada Meinhof», voorzien van bijbehorende handgranaat en kalasjnikov. Te koop zijn ook zitkussens met het woord «terror» erop gedrukt en een handdoek met een RAF-logo. «De tijd is rijp voor RAF-popstars», schreef de Duitse glossy Max onlangs in een themanummer over de vraag hoe Duitse jongeren omgaan met de Duitse Herfst (1977, het jaar waarin een reeks aanslagen en ontvoeringen plaatsvond). En het weekblad Der Spiegel berichtte deze maand: «RAF goes Pop. Radicale politiek wordt een citaat, geweld is cool, klassenstrijd is cult, moordenaars worden mode. De mythe van zestig tegen zestig miljoen herleeft. Ze zijn zelf de materialisatie geworden van waar ze tegen streden.»

De trend blijft niet beperkt tot de modewereld. Regisseurs beschouwen de politieke varianten van Bonnie en Clyde als uitermate geschikte figuren voor een filmscenario. Beiden bezitten immers alle ingrediënten voor een doorslaand bioscoopsucces: ze waren hübsch en leidden een bloedstollend bestaan, dat parallel liep met een heftige periode in de Duitse geschiedenis. Wat was begonnen als verzet tegen de gevestigde orde van het Wirtschaftswunder in het uit de as van het Derde Rijk her rijzende gedeelde Duitsland, mondde uit in naakt terrorisme. Het doel — omverwerping van het imperialisme in de Derde Wereld en het monokapitalisme van de oude aangebleven nazi’s en de opvolgers van het fascisme — heiligde alle middelen.

Tijdens het filmfestival van Berlijn vorige maand ging Baader van Christopher Roth in première, een interpretatie die past in de nieuwe aanpak van romantisering en mythevorming. Tien jaar deed regisseur Roth onderzoek naar het verleden van Andreas Baader, maar hij maakte iemand van hem die niet overeenkomt met de werkelijkheid. Volgens de linkse Berlijnse krant Tageszeitung is de film een verregaande esthetisering die de waarheid grof geweld aandoet. Baader wordt neergezet als een mooie, fanatieke jongen, gekleed in een leren jack en rode broek uit de flitsende jaren zeventig. Een filmrecensent van Der Spiegel maakte de film vorige maand met de grond gelijk: «Baader, gespeeld door Frank Giering, is een opstandige, geestelijk gemankeerde man met de allure van een rockster. Zijn popgroep heette de RAF. Acteur Giering maakt van Baader een mopperend klein kind, dat op ongeloofwaardige wijze opeens omslaat in een onberekenbare, grootheidswaanzinnige, agressieve macho. In zijn ogen zijn vrouwen eigenlijk domme wijven, op zijn sexy vriendin Gudrun Ensslin na, bazen varkens en de staat is de ergste vijand. Hij wordt niet zozeer afgeschilderd als een politieke fanatiekeling als wel als een dandy en vrouwenversierder. Een vervreemdende karikatuur. Tot overmaat van ramp sterft aan het einde van het eindeloos durende vermoeiende verhaal Baader als een held. Hij wordt doorzeefd door politiekogels.»

Tijdens de persconferentie na de première antwoordde de regisseur op de kritische vraag wat hij toch met de film heeft gewild: «Het is een speelfilm. Die mag niet al te authentiek zijn. Ik wilde Baader opnieuw neerzetten. Hij fascineerde me wel, iemand die een experiment waagde.»

De journalist van Der Spiegel was in zijn recensie vooral woedend over de reactie van Roth: «Wat is dat nou, een vaag soort heimwee naar sterke, diepe gevoelens? Baader als een soort pop-icoon? Alles is mogelijk in dienst van het geluk van de reclame- en filmwereld. Het is om te kotsen.»

In Duitsland valt dezer dagen meer kritiek te horen op deze film en op het flirten met terreur in de mode. In de Süddeutsche Zeitung noemt een journalist het «grove uitbuiting van het verleden». Men vraagt zich af of er ook nog rekening wordt gehouden met de nabestaanden van de ruim vijftig door de RAF vermoorde Duitsers. En meer in het algemeen wil men weten wat de grenzen zijn van de vertaling van het verleden naar de wereld van pop en glamour.

De hoofdredactrice van Tussi Deluxe zei tijdens een forumdebat op televisie: «Het is allemaal lang geleden genoeg. Mijn generatie is met dit thema niet zo geconfronteerd als onze ouders. Kunst probeert nou eenmaal thema’s op een nieuwe manier naar voren te brengen.»

Lang geleden? De RAF-geschiedenis is nog maar net voltooid verleden tijd. Op 20 april 1998 deelde het laatste restje leden officieel mee de RAF te hebben ontbonden. In de opheffingsverklaring werden diverse eigen fouten erkend. «De grondfout was dat de RAF was vervreemd van de samenleving als geheel, van linkse stromingen in de politiek, van haar oude strijdmakkers en van haar eigen doeleinden en zichzelf te lang was blijven inzetten in de gewapende strijd.»

Straks heet voor een nieuwe generatie het nazi-verleden ook ver weg genoeg te zijn en zien we in reclamecampagnes Goebbels in een strak uniform met woorden als: «Blut und Glamour, hij stond voor een nieuwe maatschappij. Gezien bij Gucci», of poseren vlotte tieners in T-shirts bedrukt met een gele ster. Dat zou dan worden beargumenteerd als een eigentijdse invulling van de Historikerstreit. Maar het komt neer op niets anders dan een vulgarisering van de geschiedenis.