Popgroepenplakband

Een paar weken geleden zag ik in Brussel een heel aardige installatie. Zij had de wat cryptische titel Strike Gently Away From Body en was gemaakt door de jonge Belgische kunstenares Karin Vanderborght. Vanderborght gaf mij zelf beslist en minutieus tekst en uitleg. In een hermetisch zwarte ruimte vertoonde een opgehangen 16 mm-projector een film-loop. De beelden werden geprojecteerd op een wit scherm met een ronde uitsparing. Door de cirkel scheen de lichtbundel op een lens die aan het einde van de zaal een piepklein haarscherp beeld liet zien. Het filmje dat in de installatie eeuwig rondliep was een door Vanderborght volgens mathematische principes gedeconstrueerd pornofilmpje. De installatie was volmaakt helder, goed doordacht en voorbeeldig afgewerkt. Ieder kabeltje, katrolletje en schroefje zat zoals het moest zitten. Vakwerk noem je dat, en dat zou heel gewoon moeten zijn, maar met name bij de recente, vaak vluchtige en modieuze film- en video-installaties is het vakwerk schrijnend afwezig.

Als de geluidsinstallatie voor een popgroep wordt opgebouwd, worden de snoeren met fors plakband vastgezet. Dat plakband zie je nagenoeg altijd als film- of video-installaties tentoongesteld worden. Ook al staan ze weken in dezelfde ruimte, ze wekken bijna altijd de indruk dat ze ieder moment weer weggehaald kunnen worden. Niet zelden wekken ze de indruk slordige, haastige gelegenheidskunst te zijn. De tentoonstelling In de sloot… uit de sloot in het Stedelijk Museum laat voorstellen tot gemeenteaankopen zien. Omdat film- en video-installaties in de mode zijn, is er veel werk dat onder deze noemer valt te zien. In de sloot… is bijna een karikatuur van de vluchtige installatie-opbouw. Het ziet er niet uit en de werken zijn door de inrichting zelf ook nauwelijks te zien of te horen. Uiteraard zitten alle snoeren met popgroepenplakband aan de vloer, maar dat is natuurlijk niet onoverkomelijk. De zaal is zo vol gezet met installaties dat er een kakofonie van geluiden ontstaat. Al die installaties staan als viswijven door elkaar te schreeuwen. Aan twee kanten grote ramen - heeft Sandberg ooit besteld voor de ruimte die bij gebrek aan beter nog steeds de Nieuwe Vleugel heet. De vormgever vond het nodig om over alles heen een soort wit landbouwplastic te spannen. Die grote ramen en dat wit en een aarzelend winterzonnetje zorgen ervoor dat je van de film- en videobeelden zo goed als niets ziet. Alles wordt overstraald. Is het dan soms helemaal niet de bedoeling dat je de bewegende beelden ook echt kunt zien? Schemeren ze daar alleen als fletse schilderijen waar je zo snel mogelijk langs moet lopen? Een zitplaats is trouwens toch nergens te vinden. Er zal misschien geen geld zijn geweest, maar volgens mij is zwart landbouwplastic helemaal niet duurder dat wit.
Het fonds dat subsidies mag verdelen aan kunstenaars is ook door de film- en videomode aangestoken. Ze gaven in 1997 bijna dertig individuele subsidies in deze sfeer weg, dus ook de komende jaren zal de vluchtige installatie nog menigmaal op tournee gaan. In de presentatieruimte van het fonds was een voorproefje te zien. Het zag er netjes uit. Er was weinig gewerkt met plakband. Wel stonden de diverse werken ook hier door elkaar te schreeuwen en werd je geacht urenlang voor een monitor op een sokkel te staan met een koptelefoon op om alles te zien. Daar ben ik niet op gebouwd. Ik ben verwend door luie bioscoopstoelen.
Ik dacht terug aan de bijna pijnlijke zorgvuldigheid van Vanderborght in Brussel. Aan de inktzwarte ruimte. Aan het aangename geratel van haar projector die met geen enkel ander geluid behoefde te concurreren. Toen in Brussel leek het zo gewoon en vanzelfsprekend. Waarom kunnen ze dat niet in Amsterdam?