Adam Thorpe, Onder de straatstenen het strand

Poppenspelers in de geschiedenis

Adam Thorpe

Onder de straatstenen het strand

Vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema.

Podium, 543 blz., € 22,50

Waar is thuis? Dat is de vraag. Adam Thorpe lijkt literair overal thuis te zijn. Zijn romans spelen zich af in een dorpje in het Engelse district Wiltshire (Ulverton, 1992), in het Parijs van mei 1968 (No Telling, 2003) of in het kapotgeschoten Duitsland van 1945 (The Rules of Perspective, 2005). Thorpe is de Britse zoon van een PanAm-medewerker. Hij is in Parijs geboren en heeft in Calcutta, Beiroet, Kameroen en Engeland gewoond. In Groot-Brittannië was hij actief als dichter en als leider van een theatergezelschap met acteurs, poppenspelers en mimespecialisten. Momenteel resideert hij met zijn gezin in Zuid-Frankrijk.

Met het vermelden van deze bio grafische gegevens wil ik alleen maar zeggen dat Thorpes kosmopolitische levens instelling en historische sensitiviteit weerspiegeld worden in zijn beste romans. Het alledaagse leven in Ulverton tussen 1650 en 1988, Parijs in mei 1968 of het gefingeerde Lohenfelde, Thuringen in het Duitsland van Stunde Null, raken onherroepelijk beïnvloed door de grote krachten in de geschiedenis. In het anti-pastorale Ulverton veranderen die het platteland en de dorps psyche langzaam maar zeker. In The Rules of Perspective is het de door de nazi’s be smette kunstbeschouwing die de personages stuurt, laat degenereren of «ont aarden» en de dood in jaagt. Een door een museumdirecteur verstopt zelfportret van Van Gogh lijkt de on zichtbare regie van Thorpes ethisch be vlogen of hebzuchtige personages in handen te hebben. En in No Telling, in het Nederlands vertaald als Onder de straatstenen het strand, staat het Parijs van mei 1968 centraal, totdat blijkt dat ook in deze grote roman uiteindelijk weer de Tweede Wereldoorlog een stempel drukt op het doen en laten van de hoofdpersonages.

Onder de straatstenen het strand is een idealistische boektitel. Deze op Rimbaud geïnspireerde dichtregel kon men in mei 1968 op de muren in Parijs lezen. Maar het zand of het strand onder de stoep tegels die naar de «fascistische robots» (de gendarme) werden gesmeten blijkt in Thorpes roman eerder een moeras. De strijd tegen de kleinburgerlijke moraal en de weigering compromissen te sluiten met het «burgerlijk staatsapparaat» getuigden van valse romantiek, sentimentaliteit en kortzichtigheid, en leidden slechts tot provocaties en straat geweld, dat niet alleen werd uitgelokt door «de Gestapo van de machthebbers».

Frappant in Onder de straatstenen het strand is dat het linkse gescheld in 1968 regelrecht verwijst naar het al te simpele schema van goed en kwaad in de Tweede Wereldoorlog. Als de Parijse studenten, van wie er één door Thorpe heel vilein als moederskindje wordt geaffi cheerd, de straat op gaan en menen deel te nemen aan «de historische dialectiek» (het klinkt bijna als vertederend jargon) nemen zij het op voor zoiets abstracts als de mensheid. Maar de ontheemde mens in Thorpes roman blijkt onbeschermd in zijn hemd te staan en is slechts voorwaardelijk vrij. Dat is de kracht van Onder de straatstenen het strand. De ro mantische Vietnam-activisten, die weglopen met Rimbaud en diens «alles be gint en eindigt met het lachen van kinde ren» citeren, spreken over thuis. «Maar waar is thuis? Dat is de vraag. Dat is de grote vraag. De hele, hele grote vraag.»

En die vraag wordt gesteld aan de piepjonge hoofdrolspeler, de in 1967 en 1968 elf- en twaalfjarige Gilles Gobain. Hij is een van de wildplakkers vlak voor de pseudo-revolutionaire uitbarstingen in Parijs en trekt af en toe een weekend op met zijn oudere zus en haar geëngageerde vrienden. Het antwoord is de ro man Onder de straatstenen het strand, consequent verteld vanuit het ontwapenende perspectief van een politiek onnozele, seksueel ontwakende en razend nieuwsgierige jongen. Een relaas achteraf van de latere mimespeler Gilles Gobain, die zo goed een vrijend paartje kan nadoen.

Gilles is een halve wees die met zijn moeder en stiefvader (oom Alain) in de voorstad Bagneux woont. Zijn vader was een handelsreiziger in stofzuigers die in zijn eigen showroom thuis is uitgegleden en doodgevallen. Pas veel later krijgt de kleine Gilles dit gezinsgeheim te horen, zoals hij ook andere familie geheimen achteraf ontdekt of ingewreven krijgt. De gelovige Gilles staat vlak voor zijn eerste communie, op de drempel van de puberteit en de grotemensenwereld. Maar de «pas toor had in de kerk gezegd dat het mensdom was als een voorwaardelijk vrijgelaten ge vangene en dat God de Vader ons altijd in het oog hield (als een spion, dacht ik)».

Het gezin in de Parijse voorstad be staat uit gewonden. Oom Alain, stand-in voor Gilles’ echte vader, draagt een loodzwaar geheim uit de Tweede Wereld oorlog met zich mee dat zijn wraakzuchtige houding en reactionaire uitingen voedt. Gilles’ moeder doet alsof zij zwanger is om te verdoezelen dat het haar geestelijk wankele dochter Carole is die een (onwettig) kind krijgt. Caroles zoontje Nicolas blijkt geestelijk ernstig geretardeerd te zijn. Het gewonde gezin Gobain verkeert ook nog eens in geldnood en probeert door het oplichten van de verzekeringsmaatschappij uit de geldproblemen te komen. Bij Gilles, die Carole opgesloten ziet worden in een psychiatrische inrichting, sijpelt een en ander langzaam naar binnen. «Ik vond het tegelijkertijd opwindend en angstaanjagend dat ik de waarheid kende.» Maar hij kent de diepste waarheden helemaal niet, hij blijft aan de oppervlakte en wordt keer op keer met stomheid geslagen door zijn omgeving, niet in de laatste plaats door het arrogante bourgeoisbakvisje en balletbrekebeen Jocelyne.

Misschien is de oerscène in Onder de straatstenen het strand de balletscène die Gilles aanschouwt in de psychiatrische kliniek: Carole, geestelijk uit evenwicht maar lichamelijk schijnbaar in balans, danst naakt in de zaal als uiting van ultieme wanhoop en kortsluiting in haar hoofd. Zij, slachtoffer van een vo yeu ris tische vader, denkt dat ze metalen voeten heeft. Ze is een marionet van haar eigen wanen. Dit ballettafereel echoot door in Gilles’ fascinatie voor het Coppelia-ballet waarin dokter Cop pelius een levensechte mechanische pop maakt waarop iemand verliefd wordt.

Het poppenthema of marionet motief is cruciaal in Thorpes roman, want de kernvraag die steeds terugkeert is: hoe bevrijden we onszelf uit de gevangenis van het hier en nu (Gilles wordt tijdens de meirevolte opgepakt). Is de boodschap van mei 1968 niet «de boodschap laten uitvliegen uit zijn kooi»? zoals een sartriaanse intellec tueel het al te romantisch formuleert? Beschouw je verlangen als werkelijkheid! Mooi ge zegd, maar Thorpes personages zijn met handen en voeten gebonden aan familiale geheimen en historische beperkingen. Vrij in de geest, de mens in op stand? Is dit het begin en kunnen we wel doorgaan met de strijd, en waartegen dan? «Het zijn de oeroude fossiele sporen van onze kerngeest die nu in op stand komen.»

Onder de straatstenen het strand wil laten zien dat de Parijse geest van mei ’68 wel uit de fles kwam maar dat andere hersenschimmen, wanen en beschadigingen dominanter kunnen zijn dan de drang tot revolte en de ronkende taal van het simpele wereldbeeld en de romantische revolutie. Geen wonder dat de kleine Gilles, monddood ge maakt door mei ’68, later mimespeler wordt. Lichaamstaal als verzet tegen vals taalgebruik dat de mensen gekooid houdt. Maar wie zegt dat wij, menselijke marionetten, niet mogen blijven dromen van het strand onder de straat?