Karl Popper

Popper ter ontsmetting

Karl Popper
De open samenleving en haar vijanden
Vertaald door Hessel Daalder en Steven Van Luchene
Lemniscaat, 940 blz., € 49,95

Lothar Schäfer
Popper (Kopstukken filosofie)
Vertaald door Ybe Castelyen
Lemniscaat, 205 blz., € 12,50

‘Als er in dit boek harde woorden vallen over sommige van de grootste geestelijke leiders van de mensheid, is dat niet om hen te kleineren. Ik doe dat omdat ik ervan overtuigd ben dat wij – wil onze samenleving overleven – moeten breken met de gewoonte om de groten der aarde te vereren. De groten der aarde kunnen ook grote fouten maken en zoals ik in dit boek heb willen aantonen, hebben sommige van de grootste leiders in het verleden de niet-aflatende aanval op vrijheid en rede gesteund.’ Deze woorden, waarmee Karl Popper het voorwoord bij zijn The Open Society and Its Ennemies (1945) opent, doen tegenwoordig nogal unzeitgemäss aan. In een tijd waarin alom wordt gezocht naar een ‘canon’, naar klassieke denkers die ons kunnen inspireren en naar intellectuele boegbeelden om ons eigen streven wat cachet te geven, lijkt een dergelijke oproep tot debunking hopeloos uit de mode.

Hoewel Popper erkende dat de ideeën van de drie ‘vijanden’ van de open samenleving die hij in dit boek bestreed – Plato, Hegel en Marx – een ‘erkend onderdeel van ons intellectuele erfgoed’ vormden, was volgens hem een kritische benadering absoluut noodzakelijk. ‘Als wij ervoor terugdeinzen delen van dat erfgoed te bekritiseren, dan zouden wij er wel eens toe kunnen bijdragen dat het helemaal verloren gaat.’

Deze alarmistische toon komt ons, die elke dag te horen krijgen dat onze beschaving op het punt staat onder de voet te worden gelopen, weer wel vertrouwd voor. Popper schreef dit boek dan ook tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen de westerse samenleving niet alleen in een strijd op leven en dood was gewikkeld met het nationaal-socialisme, maar bovendien voor dit doel een bondgenootschap was aangegaan met een regime dat zo mogelijk nog bloeddorstiger en onderdrukkender was. Samen met The Poverty of Historicism (1944), waar het in feite uit voortkwam, zag Popper The Open Society als zijn bijdrage aan de oorlogsinspanning.

Poppers opvattingen over politiek waren onlosmakelijk verbonden met zijn ideeën over geschiedenis en zijn wetenschapsfilosofie. Volgens Lothar Schäfer is Poppers denken in zijn totaliteit te karakteriseren als een ‘filosofie van de openheid’. In zijn uit 1934 daterende Logik der Forschung had hij gesteld dat onze kennis nooit volledig betrouwbaar, zeker, onomstotelijk of definitief is. Alle kennis is in principe feilbaar, vermoedelijk en open voor kritiek. Schäfer duidt Poppers positie aan als ‘een these van radicale feilbaarheid’.

Deze opvatting resulteerde bij Popper niet in een vrijblijvend, bloedeloos scepticisme, maar vormde een drijfveer om voortdurend te zoeken naar oplossingen voor concrete problemen, om die oplossingen vervolgens weer te toetsen. Voor Popper was filosofie geen abstracte kunst, vandaar dat hij altijd de voorkeur gaf aan praktische problemen boven terminologische en taalkundige kwesties.

Na de Eerste Wereldoorlog was de westerse samenleving in een politieke, sociale en geestelijke crisis geraakt, en Popper wilde een bijdrage leveren om hier weer uit te komen. Hij was ervan overtuigd dat zijn wetenschapsfilosofie, die vaak wordt aangeduid als ‘kritisch rationalisme’, ook op de maatschappij was toe te passen.

Dit moest leiden tot een open, democratische samenleving, waarin niet werd geprobeerd om met behulp van een grand design alle problemen in één keer op te lossen, maar waarin volgens de methode van trial and error, stapje voor stapje werd gewerkt aan het zoveel mogelijk reduceren van leed en onvrijheid.

Deze open samenleving, die in de westerse democratische landen al voor een flink deel realiteit was, werd vooral bedreigd door een vorm van denken die Popper aanduidde als ‘historicisme’. Volgens Popper was het historicisme ‘op zoek naar het pad dat de mensheid moet bewandelen; het is op zoek naar de sleutel tot de geschiedenis (…) of de zin van de geschiedenis.’ Historicisten gaan er dus vanuit dat in de geschiedenis bepaalde ‘natuurwetten’ zijn te ontdekken die zouden voorschrijven hoe de maatschappij moest worden ingericht. Ze hadden dus dezelfde pretenties als natuurwetenschappers die dachten de natuur reeds volledig in kaart te hebben gebracht en die feiten die strijdig waren met hun theorie trachtten te negeren. Zoals die wetenschappers niet open stonden voor vernieuwing, zo stonden de historicisten niet open voor kritiek, zodat een maatschappij die zou worden gebaseerd op hun inzichten onvermijdelijk een gesloten, zelfs totalitair karakter zou krijgen.

In het eerste deel van The Open Society haalt Popper fel uit naar Plato. Schäfer wijst erop dat dit eigenlijk merkwaardig is, omdat de geschiedenis in het denken van Plato geen grote rol speelde. Voor Popper maakt dat echter niet veel uit. Uit zijn ideeënleer bleek dat Plato een typische ‘essentialist’ was, iemand die zocht naar onveranderlijke grootheden, waaraan de veranderlijke historisch-maatschappelijke fenomenen dienden te worden afgemeten. Historicisten waren volgens Popper lieden die in de geschiedenis zochten naar ‘de essentie van de menselijke lotsbestemming’. Zowel de ideeënleer van Plato als de geschiedfilosofieën van Hegel en Marx, die het in deel 2 moesten ontgelden, waren in zijn ogen totalitaire ideologieën.

Op de wijze waarop Popper de denkbeelden van zijn drie bêtes noires te lijf ging, valt wel een en ander af te dingen. Vooral zijn kritiek op Plato heeft tot hevige verontwaardiging geleid en later gaf hij zelf toe dat hij wellicht wat al te hard heeft geoordeeld. Toch blijft zijn eindoordeel, dat Plato een antidemocraat was voor wie ‘rechtvaardigheid’ synoniem was aan wat in het belang van de staat was, nog altijd overeind.

Hegel-kenners hebben er terecht op gewezen dat Poppers inzicht in de notoir duistere filosofie van Hegel zeer beperkt was, en liberale critici hadden nogal wat moeite met de zekere mate van sympathie die Popper koesterde voor de idealen van Marx. Zijn kritiek op deze denkers was niet alleen rationeel, maar in hoge mate ook emotioneel. Hun immense pretenties, hun claim de waarheid in haar geheel te hebben blootgelegd, vond hij ethisch verwerpelijk. Hun filosofisch absolutisme stond diametraal tegenover zijn eigen overtuiging dat alle kennis feilbaar is.

Dat dit hem zo aangreep, kwam doordat de totalitaire stelsels van zijn tijd geneigd waren hun ideeën met geweld te verwezenlijken en hierbij niet op een lijk meer of minder keken. Wanneer in een laboratorium blijkt dat een theorie niet werkt, is dat voor de wetenschapper vervelend. Maar wanneer in de maatschappij mensen worden gebruikt voor grootscheepse sociale experimenten, gebaseerd op ondeugdelijke theorieën, is dat ethisch onaanvaardbaar. Omdat onze kennis niet onfeilbaar is, mogen we geen al te grote risico’s nemen en moeten we hervormingen doorvoeren die we kunnen overzien en die we zonodig kunnen bijsturen. Grootscheepse revoluties verlopen altijd anders dan men van tevoren had bedacht en resulteren steevast in grote hoeveelheden slachtoffers.

Met de nederlagen van het nationaal-socialisme en het communisme lijken de waarschuwingen van Popper gedateerd. Maar de historicisten zijn nog altijd onder ons. Het zijn niet alleen conservatieve ideologen die de een of andere vorm van natuurrecht aan de man proberen te brengen en die pleiten voor een grootscheepse verbouwing van de samenleving, maar ook religieuze fundamentalisten die geloven dat God plannen heeft met de wereld. Het gaat om mensen die zich niet willen neerleggen bij Poppers constatering dat de geschiedenis geen doel en geen zin kent, maar dat wij haar wel onze doelen kunnen opleggen en kunnen proberen er een zin aan te geven.

In navolging van Kant ging Popper uit van het dualisme van feiten en beslissingen. ‘Noch de natuur noch de geschiedenis kan ons vertellen wat we moeten doen. Feiten – uit de natuur of uit de geschiedenis – kunnen niet voor ons beslissen en kunnen niet bepalen welke beslissingen we zullen kiezen.’ Mensen zijn niet gelijk en menselijke instellingen als bijvoorbeeld de staat zijn niet rationeel, maar we kunnen wel beslissen te vechten voor gelijke rechten of ernaar streven de staat een stukje rationeler te maken. ‘Feiten als zodanig hebben geen zin; zij kunnen die alleen krijgen door onze beslissingen.’

Popper keerde zich tegen het historicisme omdat het dit dualisme ontkent: ‘Het is uit vrees geboren, want het deinst terug voor het besef dat wij uiteindelijk zelf verantwoordelijk zijn voor de normen die we kiezen.’ Het historicisme was volgens hem niet alleen rationeel onhoudbaar, ook was het ‘in strijd met elke godsdienst die leert dat het geweten belangrijk is’. Religies die de mensen hoop geven zijn mooi, want hoop hebben we nodig. Maar hoop is voldoende, zekerheid hebben we niet nodig: ‘Religie mag niet lijken op het hebben van een lot in de loterij noch op het hebben van een polis bij een verzekeringsmaatschappij.’

Poppers nuchtere boodschap – ‘We moeten leren de dingen zo goed mogelijk te doen en te kijken waar we fouten maken’ – staat lang niet iedereen aan. In de Popper-special van De Groene Amsterdammer ter gelegenheid van zijn honderdste geboortedag, in 2002, kwam de filosoof René Gude aan het woord. Als waarschuwing tegen het totalitarisme had het werk van Popper volgens hem zijn nut gehad, maar inmiddels was Popper ‘een geestelijk ontsmettingsmiddel geworden, een soort politieke Dettol om alle richtinggevende idealen in de politiek te neutraliseren. Hij staat voor een soort eeuwige, belangeloze scepsis die we op het ogenblik volgens mij spuug- en spuugzat zijn.’ Nu vijf jaar later de politiek en het publieke debat behoorlijk geïnfecteerd zijn met ziekelijk dogmatisme en een ziekmakend verlangen naar het op slot doen van onze open samenleving is het ontsmettingsmiddel van Popper harder nodig dan ooit.