Expositie Populism wil mensen ouderwets aan het denken zetten

Populisme is slecht, en kapitalisme ook

De laatste jaren is er volgens critici sprake van «nieuw» engagement in de beeldende kunst. Ook de tentoonstelling Populism wil het publiek aan het denken zetten over een onrustbarend eigentijds thema.

Je ziet weinig van ze, eigenlijk alleen hun hoofd en schouders, en toch zie je on-middellijk dat het bijzonder welgestelde burgers zijn. Dat spreekt uit de details. Haar dat onder handen is genomen door een kapper die zich ongetwijfeld «hair stylist» laat noemen. De zorg waarmee ogen zijn opgemaakt. Het lichte, geraffineerde montuur van een bril. Een parelsnoer dat nonchalant over een blouse hangt. En anders is het wel af te lezen aan de achtergrond waar ze voor zitten. Een groot abstract schilderij, hoe dan ook een statement van een gewaagde en bovenal ook kostbare smaak. Een groene lederen sofa. Boeken die keurig in het gelid staan. Het type open haard dat vooral landhuizen siert.

Ze zijn van redelijk dichtbij gefilmd en kijken strak in de camera. Ze steken een monoloog af, zelfverzekerd en zonder haperen, alsof ze professionele «anchor men» en «anchor women» zijn. Als je hoort wat ze zeggen, ontstaat de vervreemding. Er rollen volzinnen uit Karl Marx’ Das Kapital over hun lippen, vol noties over «ongelijkheid», «klassenstrijd», «eigendomsverhoudingen» en «wereldrevolutie».

Het gaat om de korte film Reading Capital van de multimediakunstenares Milica Tomic, waarin een aantal prominente inwoners van San Antonio, Texas, vertegenwoordigers kortom van de meest ontwikkelde kapitalistische maatschappij die reëel bestaat, voordragen uit Marx’ antikapitalistische bijbel. De droom van een wereld zonder privé-bezit staat ver af van het leven van de rijke Texanen; utopie en werkelijkheid knallen op elkaar als twee bots autootjes op de kermis.

Ander voorbeeld. In groene glazen flesjes zit Guaraná Power, een frisdrank voor «energy and empowerment». De softdrink, zo meldt de begeleidende informatie, is geproduceerd door boeren in een gebied in de Braziliaanse Amazone, in reactie op niet nader genoemde multinationals – maar wie vermoedt daar niet bedrijven als Coca-Cola en Pepsi in? – die de prijs van de guaranábessen naar beneden drukken en tegelijk de consument steeds meer voor hun drankjes laten betalen. Guaraná Power is een economisch tegenoffensief, aldus nog steeds de bijgevoegde uitleg. De strate gieën om de frisdrank in de markt te zetten zijn niet anders dan die van de grote mondiale merken – alleen: de boeren worden niet uitgebuit. Ze mogen zelfs op de achtergrond van het eigentijds vormgegeven etiket staan en ze spelen de hoofdrol in de reclamefilmpjes voor de krachtdrank. Aandoenlijke filmpjes waarin de Zuid-Amerikaanse boeren sterke verhalen vertellen, met Guaraná Power als de motor voor een onwaarschijnlijke heldendaad.

Guaraná Power is het initiatief van een Deens kunstenaarscollectief. Ze slijten hun frisdrank in galeries, musea en op biënnales — niet direct de plekken om Coca-Cola en Pepsi naar de kroon te steken, maar hun stelling name is, net als die van Milica Tomic, overduidelijk. Kapitalisme deugt niet.

Als je niet beter zou weten, zou je denken dat Reading Capital en Guaraná Power kunstprojecten zijn uit de jaren zestig, zeventig, die tijd dat kunst geëngageerd móest zijn en kunstenaars vooraan op de barricades stonden en in naam van Marx protesteerden tegen grote abstracties als het militair-industrieel complex en de ongelijke verdeling van de welvaart. Maar dat klopt niet. Beide projecten maken deel uit van de tentoonstelling Populism, die op dit moment te zien is in het Stedelijk Museum in Amsterdam en musea in Vilnius, Oslo en Frankfurt am Main, en zijn van de hand van jonge kunstenaars.

Natuurlijk is het mooi dat heel wat jonge kunstenaars het postmoderne relativisme en de artistieke navelstaarderij van zich af hebben geschud. De calvinistische ernst van het modernisme en het ideologische harnas van het marxisme werden door postmoderne kunstenaars vervangen door spel, en, zoals René Boomkens het ooit noemde, «principiële onserieusheid». De Grote Verhalen ingeruild voor kleine, liefst grappige verhaaltjes. «De» werkelijkheid bestond toch niet, dus hoefden kunstenaars niet eens meer te proberen dat wat «echt» bestond te bekritiseren, of ver gezichten voor een betere wereld te presenteren. Pastiches van banale beelden, vette knip ogen naar de populaire cultuur (denk aan de pomo’s bij uitstek Jeff Koons en Rob Scholte), het was allemaal leuk en aardig genoeg. Alleen dreigde de kunst zo wel ten onder te gaan in de dynamiek van de beeldcultuur, die van de televisie, reclame, fotografie, en had ze nauwelijks meer maatschappelijke betekenis. Wat moet kunst nog als ze elk contact met de wereld is kwijtgeraakt?

Het is, kortom, toe te juichen dat veel jonge kunstenaars weer, zoals het heet, willen ingrijpen in de werkelijkheid. De vraag is alleen of het nieuwe engagement je blik op de wereld verandert, al is het maar een beetje. Of de hedendaagse kunstenaars zonder de ideologische hoogdravendheid van hun voorgangers en zonder de vrijblijvendheid van de post modernisten een eigen, aansprekend verhaal kunnen vertellen. Nu ja, een verhaaltje dat beklijft zou al heel wat zijn.

Populism is een volle, zo niet overvolle tentoonstelling. De getoonde werken zijn divers in vorm – filmpjes, foto’s, tekeningen, objecten – en inhoud. De curatoren van de expositie citeren in hun inleiding de filosoof Ernesto Laclau, die stelde dat populisme een zowel ongrijpbaar als alomtegenwoordig concept is. Het is een zeepbel die je kunt zien, maar als je hem probeert beet te pakken blijft er niets van over. Het is zo’n begrip dat op zo veel van toepassing is dat je je afvraagt wat het inhoudt. Althans, dat is zo als je de veelheid van de tentoonstelling tot je door laat dringen.

Sommige kunstwerken hebben betrekking op het populisme van de kunstwereld zelf, dat wil zeggen op de markwerking waar ook het museum niet aan ontkomt. Zoals de gigantische digitale teller – Number of Visitors – bij de ingang van het museum van de Deense kunstenaarsgroep Jens Haaning & Superflex. Of Pay per view van de Fin Jani Leinonen: schilderijen die onzichtbaar in een kastje hangen en een paar seconden te zien zijn als je geld in het daarvoor bestemde gleufje gooit. Andere werken reageren direct op een populistische politicus. Erik van Lieshout maakte bijvoorbeeld de video Awakenings, waarin hij een gesprek op de bank met een vriend die op Pim Fortuyn stemde afwisselt met beelden van Rotterdamse junks. Verderop hangen cartooneske tekeningen van hem over de moord op Fortuyn, Volkert van der G. en Michiel Smit. De meest cynische: een doodskist met daarbij de tekst «vol=vol». Juan Pérez Agirregoikoa maakte onder de veelzeggende titel El capitalismo es fabuloso een serie aquarellen van de voormalige Spaanse premier Aznar, telkens met een kleurrijke stropdas die als een steeds breder wordende loper van zijn nek naar de grond loopt. Er zijn foto’s te zien van Otto Snoek, waarop treurig makende groepen mensen zich overgeven aan pretpark Nederland; Henrik Plenge Jacobsen bouwde een circustent als commentaar op de spektakelmaatschappij; er zijn fake campagnes voor en documentaires over populistische politici. En dit is nog maar een beperkte greep.

Als je toch één noemer probeert te vinden voor de veelheid, dan zou die als volgt kunnen luiden: verzet tegen de macht van het grote getal, of het nu om geld gaat, aantallen mensen, of politici die met simpele, al te simpele boodschappen zo veel mogelijk stemmen proberen te trekken. Die noemer maakt veel van het getoonde, helaas, nogal voorspelbaar. Als er iets kenmerkend is voor het «nieuwe» engagement, dan is het dat het bescheidener – en ook vaak praktischer – is dan de kunst van de leden van de protestgeneratie. Een eigen frisdrankmerk op een half ironische manier in de markt zetten, in plaats van een alles omspannend commentaar op uitbuiting. Laten zien hoe ver we van Marx’ droom van een betere wereld verwijderd zijn door zijn woorden in de mond van een handjevol rijke Texanen te leggen. Demonstreren dat je weinig op hebt met George W. Bush door je als pseudo-campagneteam in rare rode jasjes en met kinderachtige ballonnetjes tussen de Republikeinen te begeven, zoals de Deen Jacob Boeskov doet in Danes for Bush.

Die bescheidenheid is sympathiek, zeker omdat de kunstenaars wel degelijk de ambitie hebben iets tegen het populisme te berde te brengen. Tegelijk is hun geëngageerde reactie op het populisme in de meeste gevallen te weinig verrassend en te letterlijk. Ze mogen, van na het postmodernisme als ze zijn, de grote ideologieën en de grote gebaren dan wel verre van zich laten, inhoudelijk verschillen ze niet zo heel erg van hun activistische voorgangers. Populisme is slecht, lijken ze veelal uit te dragen, net als kapitalisme, en trouwens, er is ook een verband tussen die twee. Terwijl er alweer jaren gedebatteerd wordt over het vervagen van de verschillen tussen links en rechts vertonen veel van de jonge kunstenaars nog steeds een ouderwetse linkse pavlovreactie.

En dan is er nog iets wat teleurstellend is. Als populisme iets is, dan is het stijl, een verleidelijke, niet al te ingewikkelde, op en top esthetische beeldtaal die de kijker direct in het hart weet te raken. Heel wat van de werken in de tentoonstelling maken gebruik van, of beter: parodiëren een bestaand medium. Alleen legt de gebruikte beeldtaal het dan af tegen die van «echte» documentaires, promo’s, reclame. Verleidelijk, dat zijn de getoonde werken nauwelijks, eerder zijn ze wat knullig, onbeholpen. Het is dat je ze in een museum ziet, de plek waar je geacht wordt geduld te hebben, en te kijken en nog eens te kijken. Maar je in het hart raken, en vervolgens je hoofd in de war brengen, dat doen ze zelden.

Populisme

Stedelijk Museum CS te Amsterdam

Tot 28 augustus
www.populism2005.com