Er was wel degelijk joods verzet

Porgel en Porulan in het verzet

Het stereotiepe beeld van joden is dat ze zich zonder verzet naar de concentratiekampen hebben laten afvoeren. Maar de P.P.-verzetsgroep van Jan Hemelrijk en Bob van Amerongen bestond voor een groot deel uit mensen met een joodse achtergrond.

«De auteur wil in dit beklemmende verhaal de geestelijke nood tonen van de naoorlogse tijd, in het bijzonder van hen die in de oorlog volwassen werden. Allen hebben uit de oorlog de ont goocheling, het cynisme, het gebrek aan vertrouwen en de onmacht overgehouden», stond in 1947 op de flaptekst van De Avonden van Gerard Kornelis van het Reve. Niettemin komen oorlogservaringen in deze klassieker der vaderlandse literatuur in het geheel niet voor. Opvallend, want alle figuren zijn gemodelleerd naar werkelijke personen, onder wie Gerards broer Karel van het Reve (Joop van Egters), en zijn verzetskameraden Bob van Amerongen (Viktor Poort) en Jan Hemelrijk (Herman). In de oorlog vormden Bob van Amerongen en Jan Hemelrijk de leiding van de P.P.-groep, een verzetsgroep die joodse onderduikers verzorgde.

Hun middelbare schooltijd voor de oorlog brachten Jan en Bob door op het Murmellius Gymnasium in Alkmaar, waaraan hun ouders als leerkrachten waren verbonden. De classicus Jaap Hemelrijk was rector, Jules van Amerongen docent Engels en zijn vrouw Henriëtte docente Nederlands. Jaap Hemelrijk en Jules van Amerongen volgden de ontwikkelingen in nazi-Duitsland op de voet. Jan Hemelrijk (1918), tegenwoordig woonachtig in Ilpendam: «Mijn vader gaf als vooraanstaand SDAP'er kadercursussen op het Troelstra-oord. Nadat Hitler aan de macht was gekomen, kwamen er vluchtelingen uit Duitsland van wie een aantal regelmatig bij ons kwam eten. Meneer Silberman, een niet- joodse rechter, waarschuwde mijn vader: ‹De nazi’s zijn erger dan de pest.› In 1938 hoorde ik in het zomerkamp van Waakzaamheid over een man die op straat was doodgetrapt. Een ding was duidelijk: mochten de Duitsers komen dan zouden joden verschrikkelijk hard worden aangepakt.»

Bob van Amerongen (1924) woont in een dijkhuis met uitzicht over de groene weiden van Camperduin: «Mijn vader was een linkse liberaal die zijn informatie over de ontwikkelingen in Duitsland uit De Groene Amsterdammer en de Europese editie van The Observer haalde. Als voordrachtskunstenaar gespecialiseerd in het werk van Dickens trad hij overal op. Ook buiten Nederland. Zo kwam hij in contact met een Oostenrijkse kunstenaar die hij bij zijn vlucht na de Anschluss heeft geholpen. Wij wisten van de Kristallnacht en de concentratiekampen. Mijn vader voorzag dat we door de Duitsers onder de voet zouden worden gelopen.»

Het stereotiepe beeld van joden is dat ze zich zonder verzet naar de concentratiekampen hebben laten afvoeren. Maar de P.P.-groep van Jan Hemelrijk en Bob van Amerongen bestond voor een groot deel uit mensen met een joodse achtergrond, zoals wel meer Amsterdamse verzets groepen. «Of we iets gingen doen, was niet aan de orde. Dat was vanzelfsprekend. Onze gesprekken draaiden om de vraag waarmee we zouden beginnen. We wisten eigenlijk niet precies wie nou wel of niet joods was in onze vriendenkring. Maar daar kwamen we snel genoeg achter», zegt een geëmotioneerde Jan Hemelrijk.

Uit na de oorlog aangelegde documenten van de in 1944 opgerichte overkoepelende organisatie Vrije Groepen Amsterdam (VGA) blijkt dat van de 332 geregistreerde illegale werkers uit 38 groepen ruim twintig procent een halfjoodse of joodse achtergrond had.

De vrije groepen zochten geen aansluiting bij de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO), de grootste illegale verzorgorganisatie. Hemelrijk: «Zij voerden een registratie beleid, noteerden namen en adressen van onderduikers. Dat vonden wij veel te riskant. Daarnaast was het ook een kwestie van verschil in mentaliteit. Zij hadden een hiërarchische structuur. Wij waren netwerkorganisaties. De LO was christelijk georiënteerd. Bij de VGA speelde dat niet, daar zaten mensen van zeer verschillend pluimage. Een aantal actieve SDAP'ers, zelfs een paar communistische groepen. De teneur was links-liberaal. Ook in de P.P.-groep had je verschillende politieke richtingen. Karel van het Reve en Femke Last kwamen uit communistische nesten, Carl Anthony Ruys was liberaal, ikzelf sdap-georiënteerd.»

Van Amerongen wijst op nog een opvallend aspect: «De LO kwam pas van de grond na mei 1943 toen er onderduikadressen moesten komen voor de voormalige soldaten en de mannen die voor de Arbeitseinsatz in Duitsland werden opgeroepen. Toen was de deportatie van de joden al vrijwel voltooid. De aan de LO gelieerde Landelijke Knokploegen waren sterk in het plegen van aanslagen en het stelen van geld en bon kaarten. Zij hadden een andere winkel. De joodse onderduik was niet hun specialiteit.»

Een paar maanden na de Duitse inval, op 23 november 1940, worden per decreet van de bezetter alle joodse ambtenaren, inclusief docenten en hoogleraren, ontslagen. Ook Jaap Hemelrijk en Jules van Amerongen komen op straat te staan. Jan Hemelrijk, inmiddels student wis- en natuurkunde aan de Universiteit van Amsterdam, probeert zijn medestudenten tot een staking te bewegen. Als dat mislukt, verlaat hij de universiteit. Begin 1941 helpen Jan Hemelrijk en zijn toekomstige vrouw Aleid Brandes de communistische familieleden van Aleid onderduiken. In Amsterdam worden in april 1941 de eerste persoonsbewijzen uitgereikt. Eerst voor niet-joden, daarna voor joden. De ontwerper is J.L. Lentz, hoofd van de Rijksinspectie van de Bevolkings registers. In het najaar beginnen de eerste groepen met het vervalsen van persoonsbewijzen. Zo ook Jan Hemelrijk samen met zijn eveneens halfjoodse studiegenoot Hans de Jager en diens vader. Jan Hemelrijk: «In België en Frankrijk had je ook persoonsbewijzen. Maar die waren makkelijker na te maken dan het bijna onvervalsbare Nederlandse document.»

In juli 1942 begint in Amsterdam de systematische deportatie van joden. Bob van Amerongen is koortsachtig bezig met het onderbrengen van zijn joodse familieleden. Hij vreest dat hun persoonsbewijzen slecht zijn vervalst. «Dat vond Jan ook. Zo is onze samenwerking begonnen.» Jan Hemelrijk specialiseert zich in vervalsingen, Bob van Amerongen houdt zich bezig met het onderbrengen van mensen. Het is het begin van de P.P.-groep, vernoemd naar de «porgel» en de «porulan», fantasiebeesten in het clandestien verschenen nonsensrijm De blauwbilgorgel van Cees Buddingh.

Bob van Amerongen vertelt hoe hij samen met zijn moeder in de omgeving van Alkmaar naar onderduikadressen zocht: «Een moeizame klus. Slechts één op de zeventien keer was het raak. Je begon natuurlijk altijd met de mensen die politiek in orde waren. Daarvan viel de meerderheid af omdat ze niet geschikt woonden of gewoon te schijterig waren. Sommige mensen hadden rot smoezen. Voor mijn eerste onderduikster, een collega van mijn vader, ging ik langs bij een dominee in Alkmaar. Een groot huis, geen kinderen. Maar nee, het kon niet. Wat zou de bakker niet zeggen als hij plotseling voor een heel brood kwam. En het was toch niet fris om de was op zolder te moeten hangen. Mijn onderduikster kon ik uiteindelijk onderbrengen bij een journalist met kinderen die helemaal geen groot huis had. Vanaf dat moment heb ik voor de onderduik niet meer op de notabelen gemikt.»

Van Amerongen krijgt het voor elkaar om de onderduik voor zijn familie te regelen. Neef Willy Pos tipt hem in de nazomer van 1943 nog een aantal potentiële onderduikers: Miep Lobatto, zijn leerlinge van het Joods Lyceum, haar broer Jaap en haar nichtje Betty de Vries. «Nadat ik Betty had ondergebracht, was de rest van de familie De Vries aan de beurt. Toen ik voor een van hen een onderduikadres had gevonden, hoorde ik via de buurvrouw dat ze allemaal waren gepakt. Ik was te laat. Dat heb ik mezelf nooit vergeven. Met Miep en Jaap Lobatto is het nog wel gelukt. Dat was op het nippertje.»

Van Amerongen had zijn handen vol aan vijftien onderduikers. Vooral zijn eigen vader was een lastige. «Hij bezocht overdag mensen die hij aardig vond, ging langs bij de ijscoman. Op een goeie dag stond die ijscoman niet bij zijn karretje. Is mijn vader ijs gaan verkopen. Pontificaal midden op het plein van Weert. Hij kwam er de voorzitster van de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen tegen. Ze kende hem omdat hij daar twee jaar geleden nog de Christmas Carol had voorgedragen. Ze begroette hem hartelijk: ‹Hé, meneer Van Amerongen!› Dat had op een ramp kunnen uitdraaien.»

De vervalsingsafdeling van Jan Hemelrijk draaide inmiddels op volle toeren. Via het contact tussen Jaap Hemelrijk en de historicus Jacques Presser, beiden docent aan het Joods Lyceum (1941-1943), kwam de graficus Frans Meijers bij de P.P.-groep. «Frans was een genie», zegt Jan Hemelrijk. «Door zijn vaste hand kon hij bijna onzichtbaar persoonsbewijzen vervalsen. Hij was erg goed in het veranderen van de zwarte nummers en in het bijwerken van de stempels. Wij veranderden bestaande persoonsbewijzen, in tegenstelling tot de groep van Gerrit van der Veen, de Persoonsbewijzencentrale, die zelf persoonsbewijzen ging drukken. Alhoewel ze steeds beter werden, bleef je zien dat het vervalsingen waren.»

De Persoonsbewijzencentrale (PBC) drukte ook de bonnen die bij een distributiekantoor moesten worden ingeleverd om distributiekaarten te krijgen. Die kaarten waren noodzakelijk om aan voedsel te komen. Hemelrijk: «Met die bonnen van de PBC gingen wij naar onze contactman Lex Bosman, ambtenaar van de distributie in Bergen. Na de oorlog hoorde ik van ambtenaren van het centrale distributiekantoor in Ommen dat ze direct zagen welke bonnen vals waren. Ze haalden er meteen de inktrol overheen om dat onzichtbaar te maken.» Toch beschouwt Hemelrijk de PBC als de meest geniale Nederlandse verzetsgroep: «De vraag naar valse papieren was groot. Met hun drukwerk heeft de PBC heel veel mensen geholpen.»

De P.P.-groep groeide uit tot een groep van twintig mensen met Jan Hemelrijk als coördinator. «We waren heel informeel georganiseerd. Er was een netwerk van verbindingen. Iedereen wist wel een paar adressen. Maar ik was de enige die alle adressen kende, zodat ik in geval van nood iedereen kon waarschuwen. We belden allemaal dagelijks voor afspraken met Hans de Jager, onze communicatietelefonist. Als ik werd gepakt, zou ik drie dagen mijn mond houden. Dat zou de anderen tijd geven om te verhuizen. Dan mocht ik doorslaan.»

Er werden veiligheidstekens afgesproken die bij elk huisbezoek gecontroleerd moesten worden. Hemelrijk: «Dat kon bijvoorbeeld een gordijntje zijn. Stond het gordijntje open dan was de kust veilig. Was het gordijntje dicht dan moesten onze mensen zich uit de voeten maken. Met Femke Last, mijn assistente, ging het fout toen zij in een huis in het Gooi bonkaarten en andere papieren voor twaalf onderduikers moest afleveren.» Femke Last (1923) vult zijn verhaal aan: «Ik was het veiligheidsteken vergeten en heb gewoon aangebeld. Zaten er Hollandse SD'ers. Ik heb toen een verhaal verzonnen. Over een aardige jongeman die me had gevraagd of ik een pakje wilde wegbrengen. Het broodzakje waarin spullen zaten om vingerafdrukken te maken, wist ik nog achter een gordijn te leggen. Als ze dat hadden gevonden, was ik wellicht gemarteld om mijn organisatie te verraden. Ik heb mazzel gehad, mijn verhaal werd kennelijk geslikt.»

Toch ging Last na een verblijf in de gevangenis in Amstelveen naar kamp Vught. Na Dolle Dinsdag, 5 september 1944, werd ze naar kamp Ravensbrück gestuurd. In die periode sloeg het noodlot opnieuw toe. Jaap Hemelrijk werd op zijn onderduikadres in Putten verraden en via kamp Vught naar kamp Sachsenhausen gestuurd. Zijn zoon Jan kan zich er nog over opwinden: «Mijn vader had het beste persoonsbewijs dat ik ooit heb afgeleverd. De man die het contro leerde, had geen verstand van zaken.»

In het voorjaar van 1944 kreeg de P.P.-groep grote financiële problemen. «Aanvankelijk scharrelden we het geld bij elkaar», vertelt Bob van Amerongen. «We kregen giften van weldoeners. Ik gaf bijles in klassieke talen voor een gulden per uur. Ook anderen van onze groep kwamen zo aan hun inkomen. Jan gaf bijles in wis-en natuurkunde. Mijn assistenten Karel van het Reve, schrijver van het P.P.-krantje, en zijn latere echtgenote Tini Israël, gaven Russisch. De joodse onderduikers konden nog hun eigen kost betalen. Maar later functioneerde dat allemaal niet meer. Het Nationaal Steunfonds, de bank van het verzet, wilde eerst allerlei gegevens over onze onderduikers hebben. Dat vonden we een te groot risico. Er is ten slotte een afspraak gemaakt dat we alles na de oorlog zouden verantwoorden.»

Aan de vooravond van de hongerwinter acht een groot aantal Amsterdamse groepen, die zich in tegenstelling tot de LO wél specifiek richten op de joodse onderduik, de tijd rijp om hun werkzaamheden te coördineren. Op de Herengracht in Amsterdam wordt ten huize van Bromet de federatie Vrije Groepen Amsterdam opgericht. Jan Hemelrijk en Bob van Amerongen zijn aanwezig. «Het was gevaarlijk», stelt Jan Hemelrijk. «Er waren zeker dertig mensen, vrijwel allemaal vertegenwoordigers van groepen. De Duitsers hadden de hele vrije illegaliteit in Amsterdam in een keer kunnen oprollen. Na afloop van de oorlog bleek dat er op de opsporingslijst van de Sicherheitsdienst geen enkele VGA-groep stond.»

Jan Hemelrijk komt samen met SDAP'er Jan Bommer en AJC'er Ad van Moock in de leiding van de Vrije Groepen Amsterdam. Hij staat ook aan het hoofd van het Documentenbureau van de VGA, dat door de vervalsingsafdeling van de P.P.-groep wordt gerund. De opdrachten voor valse persoonsbewijzen stromen binnen. Begin 1945 verhuist het kantoor van de P.P.-groep naar Weesperzijde 34, een opvallend huis met twee torenvormige uitbouwsels. Hier gaan na de oorlog de «illegalici» — zoals Karel van het Reve verzetsmensen noemde — Jan Hemelrijk en Bob van Amerongen wonen en komt Gerard van het Reve in 1946 op bezoek om hoofdstukken uit De avonden aan Bob van Amerongen voor te lezen.

Vijf mei 1945, bevrijding. Van de 140.000 Nederlandse joden blijkt 78 procent omgekomen; van de tachtigduizend Amsterdamse joden zijn nog slechts vijfduizend in leven. Femke Last en de vader van Jan Hemelrijk komen terug uit de Duitse kampen. Jaap Hemelrijk zal het boek Er is een weg naar de vrijheid aan zijn oorlogs ervaringen wijden. Jules Van Amerongen, de vader van Bob, keert als een gebroken man terug uit zijn Limburgse onderduik.

Het naoorlogse Nederland blijkt minder progressief dan gehoopt. Jan Hemelrijk wordt assistent bij professor van Dantzig, hoogleraar statistiek, krijgt via Piet Meerburg (VGA-lid) een baantje bij Kriterion en zal later zelf hoogleraar statistiek worden. Bob van Amerongen gaat klassieke talen studeren, schrijft een aantal artikelen voor De Vrije Katheder (het discussieplatform van communisten en progressieve niet-communisten) en wordt rector van het Stedelijk Gymnasium in Haarlem.

De oorlog blijft een ijkpunt in hun leven. Jan Hemelrijk: «De angst om door die beesten gepakt te worden, ben ik nooit kwijt geraakt. Achteraf begrijp ik niet dat we het gekund hebben. Vier jaar stress. Maar ik kon niet zoals zovele anderen aan de zijlijn blijven staan.» Bob van Amerongen: «Ik heb voor de deur van mijn huis in de Okeghemstraat een jonge verzetsstrijder doodgeschoten zien worden. Na de oorlog hoorden we over de vernietigingskampen. Zoveel slechtheid in de mensheid was een schokkende ontdekking. Na een dergelijke ervaring kun je twee kanten op. Of je wordt een hemelbestormer of je vervalt in lethargie. Ik wilde geen van beide. Ik ben kleine, haalbare dingen gaan doen.»

Met dank aan het Fonds voor Bijzondere Journalistieke Projecten