Het illusieloze mensbeeld van fotograaf Diane Arbus

Poriën zo groot als maankraters

De Amerikaanse fotograaf Diane Arbus bezat een illusieloos mensbeeld, dat geen ruimte laat voor dubbelzinnigheid. Met haar werk verleidde ze zoals een romanschrijver dat doet.

Diane Arbus heeft haar naam als Amerika’s minst sentimentele fotograaf altijd eer aan gedaan. Geen andere fotograaf ontdeed het leven verder van zijn geruststellende alledaagsheid dan zij. Wanneer ze een huilende baby voor de lens kreeg zag ze een uitzinnig monster; een dame op leeftijd fotografeerde ze als een verbitterd fossiel. Haar blik kende genade noch barmhartigheid. Zelfs op een kerstboom met pakjes projecteerde ze gevoelens van eenzaamheid en onvervulbaar verlangen.

Beklemmend, zo kan men een bezoek aan Diane Arbus: Revelations, het retrospectief dat twee jaar geleden opende in San Franci sco en na tussenstops in Los Angeles, New York, Houston en Essen vorige maand het Victoria and Albert Museum in Londen bereikte, dan ook het best omschrijven. Het is de eerste grote Arbus-tentoonstelling in Europa, en voorlopig waarschijnlijk ook de laatste. Curator Sandra S. Phillips en dochter Doon Arbus selecteerden meer dan tweehonderd foto’s (waarvan vele niet eerder getoond) uit alle perioden van haar loopbaan: van uitprobeersels uit de jaren veertig tot foto-essays voor Esquire en Harper’s Bazaar en van de portretten van beroemdheden tot de serie die ze vlak voor haar zelfmoord in 1971 maakte met geestelijk gehandicapten.

Een van de belangrijkste verdiensten van de show is dat ze afrekent met het imago van Arbus als fotograaf van figuren in de marge van de samenleving. Enkele van haar beste foto’s tonen freaks, mensen met een lichamelijke handicap of een afwijkende seksuele fetisj, maar kwantitatief gezien zijn die foto’s in de minderheid. Het overgrote deel wordt bevolkt door de blanke Amerikaanse middenklasse, de All American Joe’s wier rituelen ze op onverbiddelijke wijze in beeld bracht. Het zijn niet te benijden gevallen, die mensen van Arbus, optelsommen van tekortkomingen. Of ze ze nu aantreft op een gemaskerd bal, een dansavond voor senioren, een nudisten camping of in een travestietenbar, steevast portretteert ze ze met dezelfde mengeling van afkeer en medelijden.

Arbus was een auteur. In tegenstelling tot Walker Evans, de fotograaf die ze verafgoodde en aan wiens Farm Security Administration-foto’s ze qua vorm duidelijk schatplichtig was, hield ze zich uitsluitend bezig met één genre: het portret, of preciezer gezegd: het menselijke portret. Hier en daar duikt een kamerscherm, een bioscoopdoek of een decorstuk op, maar haar voornaamste onderwerp was toch de mens. Die mens wordt altijd op dezelfde wijze geportretteerd: en face, vaak in de lens kijkend, geplaatst in een vierkant kader en met harde flits.

Door haar modellen nadrukkelijk te laten poseren ging Arbus in tegen de populaire snapshot-esthetiek die voorschreef dat een foto spontaan moest zijn en dat je je als fotograaf (om Philip Mechanicus te parafraseren) in een prullenbak moest verstoppen en een foto van iemand moest nemen terwijl die in zijn neus zat te peuteren. Henri Cartier- Bressons decisive moment was aan Diane Arbus niet besteed: iedere smerige fotografentruc die voorhanden was paste ze toe. De uitputtende (maar rommelige) tentoonstellingscatalogus geeft wat dat betreft een aardig kijkje in de keuken, of beter gezegd de donkere kamer van de fotograaf.

Behalve alle getoonde foto’s zijn hierin ook een aantal contactvellen afgedrukt. Een van die vellen bevat de foto Child With a Toy Hand Grenade in Central Park, een icoon van de moderne Amerikaanse fotografie. Daarop zien we een typisch Amerikaans jongetje, met spillepoten en een te hoog opgehesen broek, in verschillende poses en met verschillende gezichtsuitdrukkingen: grijnzend, lachend, gekke bekken trekkend. Slechts één van de foto’s toont het jongetje met strakgetrokken lichaamshouding, uitpuilende ogen, en een grimas die duidt op waanzin. Het was die foto die Arbus besloot af te drukken. Het leert ons dat de pijn en vervreemding op haar foto’s eerder werden gezocht dan gevonden.

Zelf was Arbus afkomstig uit een welgestelde joodse familie. Haar vader David Nemerov had een kledingwinkel op Fifth Avenue, haar broer Howard was een gerespecteerd dichter en schrijver met een Pulitzerprijs op zak. Al vroeg in haar leven bouwde ze een afkeer op van de privileges die een bevoorrechte jeugd aankleven. «De wereld behoorde tot de wereld», vertelde ze een verslaggever van Newsweek eens, «ik kon dingen leren maar ze leken nooit mijn eigen ervaring te zijn.»

Als voormalig modefotograaf koesterde Diane Arbus grote weerzin tegen gepantserde poses en zelfvoldane gezichten; haar modellen pro voceerde ze net zo lang tot ze hun bedekking lieten zakken. Vooral the rich and famous moesten het ontgelden: de feministe Ger maine Greer bijvoorbeeld werd gefotografeerd met poriën zo groot als maankraters; een model uit Warhol’s Factory met weggedraaide ogen; de schrijver Norman Mailer wijdbeens en met een hooghartige blik, tot groot ongenoegen van de schrijver, die tegen een journalist zei: «Diane Arbus een fototoestel geven is hetzelfde als een kind een hand granaat in de handen stoppen.»

De empathie die velen in Arbus’ manier van kijken schijnen te zien, en waarover je in artikelen steeds leest, heb ik in deze show nauwelijks kunnen ontdekken. Als ze al aanwezig is, gaat ze altijd gepaard met walging. Een foto als The King and Queen of a Senior Citizens Dance, N.Y.C. uit 1970 moet wel gemaakt zijn door iemand die sterke bedenkingen heeft bij het menselijke ras. Zie ze nou zitten: de dame en heer op leeftijd met hun plastic kroon en cape van nepbont; alsof ze net ontdekken dat iemand een heel smerige grap met ze heeft uitgehaald. Verdwaalde toeristen zijn het: hulpeloos en meelijwekkend.

Arbus heeft altijd een haviksoog gehad voor de kloof tussen intentie en effect. Wanneer ze iemand op straat zag, zo vertelde ze haar studenten tijdens een masterclass, was het eerste wat ze zag diens tekortkomingen. Niet de schoonheid, niet de charme, nee, het gebrek: het gat tussen wat iemand denkt te zijn en wat hij is. In haar foto’s is dat gat overal waarneembaar: in de stoppelige kin van een travestiet; in de siliconenborsten van een animeermeisje; in de blufferige poses van rokende jongelui in Central Park; in het dichtgeplamuurde gezicht van een bejaarde vrouw. Arbus’ foto’s kennen geen absolute winnaars, hooguit tijdelijke winnaars, winnaars bij wie het verval zich al begint af te tekenen. Uiteindelijk, zeggen haar foto’s, bent u allen gedoemd te mislukken. Een weinig opwekkende, maar zeer troostrijke gedachte.

Opvallend is dat haar foto’s zelden de naam dragen van de geportretteerde. Een topless danseres heet: topless danseres. Een drieling: drieling. Antropologisch kun je deze foto’s niet noemen. Daarvoor zijn ze te weinig neutraal, te gekleurd door de blik van de fotograaf. Als je ze ergens mee moet vergelijken, dan is het met het in de jaren zestig in zwang rakende new journalism: grote journalistieke verhalen over kleine onderwerpen die zich onderscheiden door de persoonlijke stijl van de auteur. Arbus was geen geëngageerde fotograaf; politiek liet haar koud. Haar obsessie was het sluimerende leed dat achter gesloten deuren plaatsvond, een journalistiek genre dat de tijdschriften spoedig zouden verliezen aan die andere groothandelaar in klein leed: de televisie.

Tegenwoordig baart een dergelijke interesse weinig opzien. Nu het groteske en buitenissige ons avond aan avond op twintig verschillende televisiekanalen toeschreeuwt, nu via het internet de meest extravagante seksuele perversies slechts een paar vingerklikken verwijderd zijn, nu in het museum van iedere provinciestad foto’s van twee bij twee hangen waarop een vrouw haar vuist polsdiep in het achterwerk van een jongeman plant, nu het afwijkende de norm lijkt en vervreemding salonfähig is, kijken we van een man met krulspelden of een dwerg met een handdoek om zijn middel niet meer op.

In Diane Arbus’ tijd moet dat anders zijn geweest. De freakshow op Coney Island was nog niet zo lang gesloten en homoseksuelen zaten nog gewoon met z’n allen in de kast. Tijdens de New Documents- tentoonstelling die fotografiecurator John Szarkowski in 1967 voor het Museum of Modern Art in New York maakte en die tevens Arbus’ eerste groepstentoonstelling was, veranderden assertieve bezoekers het tekstbordje bij de foto Man Being a Woman in, kortweg, Woman, en moesten suppoosten regelmatig het spuug van haar foto’s vegen. Uiteindelijk verkocht Arbus welgeteld één foto – aan een museummedewerker.

Natuurlijk waren drag queens en herma frodieten de museumbezoeker niet helemaal vreemd. De gewaardeerde societyfotograaf Weegee had travestieten gefotografeerd en Tod Browning scoorde decennia eerder een hit met zijn cultklassieker Freaks, maar zulke subculturen werden altijd gepresenteerd als marginaal maatschappelijk fenomeen of als circus nummer.

Arbus deed geen van beide. Ze toonde mensen uit de marges op een manier die voorbehouden was aan aristocraten en beroemdheden. Hiermee sleepte ze de freaks uit het domein van de sensatiekrant en haalde ze binnen de statige wanden van het museum – een prestatie waar fotografen tot op heden van profiteren.

Directe erfgenamen laten zich niettemin lastig herkennen. Nan Goldin fotografeert de rafelranden van de Amerikaanse samenleving, maar doet dat van binnenuit. Boris Mikhailov portretteert verloederde Oekraïners, maar op een manier die neigt naar een politieke aanklacht. Rineke Dijkstra heeft een scherp oog voor de kloof tussen intentie en effect, maar haar modellen zijn weinig extravert. Erwin Olaf is niet vies van dwergen en dikke vrouwen, maar gebruikt ze op een groteske, bewust kunstmatige manier. Martin Parr is gefascineerd door de vulgariteit van de massacultuur, maar zijn werk is door en door ironisch.

De fotograaf die het dichtst bij Arbus in de buurt komt is Roger Ballen, die de verloedering op het Zuid-Afrikaanse platteland fotografeerde en zowel qua onderwerp als qua stijl veel met haar gemeen heeft. Dit gebrek aan navolgers heeft wellicht te maken met Arbus’ stijl, die zo karakteristiek en gerespecteerd is dat het bijna onmogelijk wordt om te fotograferen zoals zij zonder belachelijk te lijken of in epigonisme te vervallen.

Arbus kneedde haar observaties naar haar eigen depressieve wereldbeeld – een wereldbeeld dat net zo illusieloos is als dat van de absurdisten, maar hun bevrijdende lach ontbeert. Zoals bij iedere goede kunstenaar is zo’n blik besmettelijk. Voor je het weet ga je denken dat de wereld er echt zo uitziet. Dat is niet zo: Arbus was een kunstenaar, ze kadreerde, selecteerde en verleidde zoals een romanschrijver dat doet. De wereld op haar foto’s is authentiek maar beperkt, doorvoeld maar selectief. Het is een mensbeeld dat geen ruimte laat voor ambiguïteit en dubbelzinnigheid. Het is een mensbeeld dat verstikt, een mensbeeld zonder nooduitgang.

Diane Arbus: Revelations

Victoria and Albert Museum, Londen

tot 15 januari