Pornografie zonder pornografie

Witold Gombrowicz, Pornografie. Vertaling Paul Beers, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 186 blz., f49,90
OP DE FLAP van de door Paul Beers nieuw vertaalde roman Pornografia van de van oorsprong Poolse schrijver Witold Gombrowicz (1904-1969) staat een soort impliciete waarschuwing, niet om te verhoeden dat men argeloos lezend in een poel des verderfs terechtkomt, maar juist om te voorkomen dat lezers, gelokt door een vunzige, seks belovende titel, zich verneukt voelen: ‘De “pornografie” waaraan het boek zijn indertijd nog provocerende titel ontleent, ligt uitsluitend in het feit dat via de verhitte verbeelding van de twee oudere mannen wordt aangestuurd op een erotische toenadering tussen de jeugdigen - er valt in de tekst geen onvertogen woord.’

Meer dan eens heb ik ervaren dat het plezier aan en het inzicht bij het lezen van een boek kan toenemen door er andere lectuur om- of doorheen te lezen. Soms gebeurt dat door iets associatief te selecteren, soms gaat het vrij toevallig. Zo las ik naast de nieuwe vertaling van Pornografia nogmaals in het boekje Denken is een lust van Willem Jan Otten uit 1985 en in het lijvige, dit jaar verschenen Het verschil van mening van J. P. Guepin. En beide boeken bleken, zonder dat Gombrowicz er een rol in speelt, meer dan raakvlakken met de roman Pornografie te vertonen.
Het lange essay van Otten las ik natuurlijk omdat ik me herinnerde dat het toegesneden was op de problematiek van de pornografische lust. En het kopen en kijken naar vieze plaatjes wordt er uitvoerig in ter sprake gebracht. Otten komt geleidelijk aan tot constateringen als deze: ‘niet de opwinding is opwindend, maar het kijken ernaar’. En: 'Het heeft, eens te meer, geen zin om porno te beperken tot vieze plaatjes. Er is een kracht werkzaam die het desnoods zonder pornografie zou kunnen stellen, maar die dankzij haar bestaan iets beter beschreven kan worden. Zelf oorzaak willen zijn van precies datgene wat ons in bezit kan nemen - lust - is een lust. We bevredigen hem door van onze angst (voor verwisselbaarheid, voor verkrachting) een werkelijkheid te maken waarin wij onszelf en onze soortgenoten opvoeren als regisseerbaar, manipuleerbaar.’ Ziehier de tekst die op de flap van Pornografie had moeten staan in plaats van de goed bedoelde maar toch misleidende waarschuwing die er nu op staat. Want wat gebeurt er in Gombrowicz’ Pornografie?
DE VERTELLER, met de naam Witold Gombrowicz, reist midden in de Tweede Wereldoorlog met een zekere Fryderyk van Warschau naar het Poolse platteland, daartoe uitgenodigd door de landeigenaar Hippolyt. Op het landgoed aangekomen maken ze kennis met Maria, de vrouw van Hippolyt, en met hun zestienjarige dochter Henia. Verder leren ze Karol kennen, een jongen van de leeftijd van Henia. Karol, die niet kan opschieten met zijn vader en over wie Hippolyt zich heeft ontfermd, kent Henia al van jongs af.
Vanaf het moment dat Witold de twee jongeren heeft gezien (na een erbarmelijke zondagse misdienst, die als katholiek ritueel niets anders voorstelde dan lege, schamele vormelijkheid, maar tijdens welke Witold een duizelingwekkende ervaring van het kosmische beleefde) staat het voor hem vast dat ze voor elkaar bestemd zijn. Gaandeweg blijkt dat ook zijn compaan Fryderyk de twee onvolwassenen als voor elkaar geschapen ziet. En zowel Witold als Fryderyk wil wel een handje helpen bij wat Henia en Karol zelf helemaal niet als hun bestemming voor ogen hebben. De twee proberen door heimelijke, kleine manipulaties Karol en Henia erotisch op elkaar te betrekken. En de twee jongeren hebben er zelfs op een naieve manier schik in de twee gasten uit Warschau te behagen.
Maar dan blijkt Henia al aan de man gebracht te zijn: ze zal zich verloven met ene Waclaw Paszkowski, jurist, zoon van de weduwe Amelia die het rijke landgoed Ruda beheert. 'Uitermate bedachtzaam’, zegt Hippolyt over Waclaw. 'Keurig en rechtschapen. Van uitzonderlijk morele zuiverheid. Hij aardt naar zijn moeder. Een bijzondere vrouw, diep gelovig, bijna een heilige, van onwrikbare katholieke principes. Ruda is een moreel bolwerk voor iedereen.’ Wat vroegtijdig een definitieve streep door de rekening van de verholen koppelaars lijkt te halen, blijkt juist in hevige mate bij te dragen aan het obsessieve karakter dat hun fantasieen beginnen te krijgen, zelfs als duidelijk wordt dat Henia er geen probleem mee heeft zich met Waclaw te verloven. Voor de verloving gaat het gezelschap rond Hippolyt naar het landgoed Ruda. Daar raakt de uiterst principiele Amelia in de ban van Fryderyk, waardoor blijkt dat haar 'katholieke geest onverhoeds op iets kon stuiten wat hij niet kende, wat hij niet voorzag, wat hij niet beheerste. Plotseling was zij door iemand op een haar onbekende wijze geraakt en zij werd voor zichzelf iets onbegrijpelijks in Fryderyk!’ Haar hele wereld(beeld) van morele zuiverheid gaat van de ene op de andere dag aan gruzelementen.
Tegen het einde van de avondlijke maaltijd gaat Amelia naar de provisiekamer. Als ze terugkeert blijkt ze dodelijk gewond door messteken. Nog dezelfde avond sterft ze. Er is een zestienjarige jongen, een zekere Joziek, gegrepen. Hij was bezig geweest met stelen toen Amelia de provisiekamer binnenkwam. Maar is hij het wel die de dodelijke steken heeft toegebracht? Of heeft Amelia zichzelf, via Joziek, om het leven gebracht?
HET GEZELSCHAP, Waclaw incluis en met de geboeide Joziek (die in een tijd als deze, omgeven door de terreur van de oorlog, niet aan de politie wordt overgeleverd), keert dan terug naar het landgoed van Hippolyt. Daar zetten Witold en Fryderyk, die meer en meer op een alter ego van de verteller gaat lijken, hun pogingen om Henia en Karol aan elkaar te koppelen nog gedrevener voort. En het is duidelijk dat Waclaw daarvoor en daarvan het slachtoffer moet worden: 'Als ze voor Waclaw geliefden werden (…) werden ze ook geliefden voor elkaar. En voor ons, die reeds te oud waren, was dit de enige mogelijkheid van erotische toenadering tot hen. (…) Hen dat verraad in stoten!’
Fryderyk gaat dan zo ver om achter in de tuin Henia en Karol allerlei poses te laten aannemen en figuren te laten uitvoeren, zogenaamd om enkele scenes uit te proberen voor een filmscenario dat hij in zijn hoofd heeft. Het jonge stel doet er met plezier aan mee. Witold troont Waclaw dan mee de tuin in en laat hem tussen de struiken door een van die poses zien. Uiteraard blijft de regisseur ervan helemaal uit beeld! Waclaw wil wat hij heeft gezien in eerste instantie schouderophalend als kinderlijkheid afdoen, dat wat hij zag had immers alles behalve de vorm van een of andere seksuele handeling: Henia en Karol staken een arm omhoog, hun handen vervlochten zich, de twee lieten zich onverhoeds op de grond vallen en liepen toen zomaar weg…
INMIDDELS IS een verzetsman, Siemian, ondergedoken op Hippolyts landgoed. Deze Siemian is voor iedereen het toonbeeld van heldhaftige onwrikbaarheid. Dan blijkt echter dat juist Siemian door de eigen mensen geliquideerd zal moeten worden omdat hij plotseling aan van alles en nog wat en vooral aan zijn eigen onverschrokkenheid is gaan twijfelen. Doordat Siemians (wereld)beeld onbetrouwbaar is geworden vormt hij juist een gevaar voor de verzetsbeweging. Door omstandigheden kunnen de verzetsmensen echter niet, zoals met Hippolyt afgesproken, naar het landgoed komen om de liquidatie uit te voeren. Dus moeten de mannen die in huis zijn, Hippolyt, Waclaw, Witold en Fryderyk, het karwei op zich nemen. Beraadslagingen. Hoe moet het gebeuren en wie moet het uiteindelijk doen?
Tegelijkertijd wordt Waclaw het slachtoffer van het web dat hij in zijn eigen hoofd aan het spinnen is. Juist het feit dat hij Henia en Karol handelingen heeft zien verrichten die niet vanuit zijn statische beeld van het seksuele konden worden verklaard maar hem exclusief in hun intimiteit toeschijnen, maakt hem wanhopig. Het gevolg is dat hij aan zichzelf gaat twijfelen, zich gaat afvragen waarom Henia ook op hem, de zoveel oudere Waclaw, zou willen vallen. En daarmee stort ook zijn vorm, zjn wereld in. 'Ik had een ander kunnen zijn’, schrijft niet Gombrowicz maar Otten, 'er is geen rationeel argument waarom uitgerekend ik door haar word begeerd; het woord “waarom” kan zelfs het begin zijn van een faliekante wanhoop.’
Het is Fryderyks idee om Karol de vertwijfelde verzetsman te laten doden. Na enige aarzeling stemt iedereen met dit plan in; ook Waclaw, want die koestert misschien nog een beetje hoop: 'het katholicisme sprak in hem, en plotseling kwam het hem voor dat Karol als moordenaar voor Henia even afstotend moest zijn als hij - een vergissing die hierdoor ontstond dat hij de bloemen te zeer met zijn ziel rook en niet met zijn neus, dat hij te zeer in de schoonheid van de deugd geloofde en in de lelijkheid van de zonde. Hij vergat dat de misdaad in Karol een andere smaak kon hebben dan in hem.’
HET ZAL LANGZAMERHAND duidelijk zijn dat Ottens pornografie 'zonder pornografie’ een kracht kan hebben die alle begrip ruineus te boven kan gaan ('Want begrip is het begin van het halfwasse willen, van een erotiek van de overeenstemming, die de begeerte uiteindelijk zal verlammen’) en dat die pornografie handen en voeten heeft in Gombrowicz’ roman. 'Niets, niets! Niets dan mijn pornografie die zich met hen voedt!’ roept Witold al in het begin van het boek uit. Tevens is het zo dat zowel voor het personage als voor de auteur Witold Gombrowicz de volwassene, de oudere alleen nog een pornografische wijze van grensoverschrijdende lustbeleving ter beschikking staat, dat wil zeggen dat hij van mening is dat de mens na zijn jeugd zo gedicteerd wordt door vorm en vormelijkheden dat hij juist de ratio, juist die dictator, tot zijn medeplichtige moet kunnen maken. Nogmaals Willem Jan Otten: 'Iedere keer wanneer we begeren, doen we dat tegen de klip van ons verstand op. De worsteling met het (zingevende, functionaliserende) verstand levert genot op, en maakt van een drift, die geen enkel spoor in het geheugen na zou laten, een evenement.’
Vandaar dat Witold zich juist bedient van de drempelsituatie die de jeugd is en dat hij bijvoorbeeld over Karol zegt: 'Tussen kind en man verscheurd (en dit maakte hem tegelijk onschuldig naief en onverbiddelijk ervaren), was hij het een noch het ander, hij was iets ertussenin, was voor alles jeugd.’ En uit die jeugd is men al gauw verstoten bij Gombrowicz: 'Helaas! Helaas! De mensheid treedt na haar dertigste de monsterlijkheid binnen.’ (Als de verteller van Pornografie in 1943 even oud is als de auteur, is hij 39.) Tegelijkertijd is de roman Pornografie daarmee doorspekt met strijd tegen en minachting voor de vorm, dat wil zeggen voor de onwrikbaarheid van door volwassenen aan volwassenen opgelegde principes. En dat is nu weer precies iets wat ik ook tegenkom in het boek van Guepin.
'Dit boek’, schrijft Guepin, 'heet “Het verschil van mening” omdat het mij gaat om het discutabele karakter van de toepassing van algemene uitspraken op individuele gevallen.’ Guepins boek is een verzet tegen elke vorm van doen en denken vanuit een categorische imperatief, tegen de uitsluitende cultus van het sublieme, maar ook tegen die van het lelijke. Hij maakt de kachel aan met de angst voor het hellend vlak waarop de mens zich zou begeven als hij in bepaalde omstandigheden van regels en principes zou afstappen.
TERUG BIJ HET boek van Gombrowicz valt het eens te meer op dat het juist de onberispelijken zijn die, eenmaal aan het wankelen gebracht, onherroepelijk en op alles behalve verheven wijze het onderspit delven. De aartskatholieke Amelia, die zich opeens als een beest gedraagt dat zich, zoals alleen een mens-beest kan doen, dodelijk tegen zichzelf keert, de verzetsman die eraan gaat als hij uit zijn rol valt, net zo als de hyperfatsoenlijke Waclaw… Ja, Waclaw, Siemian en ook die Joziek vinden op het eind van het boek de dood, maar over het hoe en waarom en over welke rol Witold, Fryderyk, Karol en Henia daarbij spelen, wil ik niet uitweiden.
Overigens zijn er tussen Guepin en Gombrowicz ook weer even grote verschillen als overeenkomsten. Ik vermoed dat Guepin, die voor een liberale bezonnenheid pleit en zich afzet tegen een kunst waarin het bizarre een grote rol speelt, niet veel op zal hebben met een boek als Pornografie, waarin het ontoereikende en onderontwikkelde en dus ook het antiburgerlijke de macht naar zich toe trekken.
Pornografia verscheen al eerder in het Nederlands. In 1964. Toen onder de titel De pornografie en vertaald door J. L. Teengs. In de loop der jaren is Paul Beers de Nederlandse Gombrowicz-vertaler geworden. Het is dan ook alleen maar vanzelfsprekend dat hij, nadat hij voor Athenaeum-Polak & Van Gennep al het verdere werk van Gombrowicz, compleet met diens dagboeken, had vertaald, ook Pornografia nog eens voor zijn rekening nam. Nu sluit het Gombro- Nederlands aan bij woordgebruik en stijl van de andere vertalingen. En van dat woordgebruik en die stijl kan ik geen genoeg krijgen.
DE VERTALING van Teengs heb ik aangeschaft toen ik zelf net de monsterlijkheid binnentrad… Fantastisch boek, ook zonder Otten in de buurt! Dat ongrijpbare, die broeierige zuigkracht van erotiek, dat vunzig gemanipuleer voor je ogen - zonde en antikatholicisme in combinatie met een tegen het krankzinnige aanhangende redeneerkunst in een gedreven, hectische en bij tijd en wijle convulsieve stijl die je zo pakt dat je je haast gecompromitteerd voelt… Zo'n boek dat volkomen boven zichzelf uit is gegroeid als je het na de laatste woorden dichtslaat. Zo'n boek ook waarvan je het al snel betreurt dat je het al hebt, als object, omdat je het dan niet meer opnieuw kunt aanschaffen zonder aan je eigen verstandelijke vermogens te gaan twijfelen.
Toch is het er na een tijdje van gekomen dat ik een boekhandelaar de Teengs-vertaling in cadeaupapier liet doen om het boek zelf thuis te kunnen uitpakken, te lezen en het naast zijn volstrekt identieke voorganger in de kast te zetten! Hoe ingenomen ik nu ben met de Pornografia-vertaling van Paul Beers, en dat ik dat niet alleen ben vanwege diens kwaliteiten, behoeft dan ook geen verder betoog.