Het hof van barmhartigheid

Pornolengtes

‘Als Europa, wat wel gezegd wordt, de kaap van Azië is, dan is Holland de kut van Europa, vertel mij wat. (…) Voor alle zekerheid heb ik er ook nog de wereldatlas bijgehaald (…). Daar gaan we. Het IJsselmeer, ooit de Zuiderzee, nu een half leeggemalen binnenwater… de droogwrattende schede van een oude hoer. Een stippellijn van Waddeneilanden die de ligging van de grote schaamlippen aangeeft, met de Wadden zelf als de kleine, die soms verborgen blijven, dan weer als zwellend slib aan de oppervlakte verschijnen… zelfs het stugge helmgras, getekend tegen de buitenkant van dat alles, spreekt boekdelen. Vertel mij wat. Door zout en zeewind uitgebeten schaamhaar, dat helemaal van de anus voorbij Rottumeroog langs de Waddeneilanden zich voortzet tot op de ingevallen buik van Noord- en Zuid-Holland.’
Aan het woord is hier Gesù Porporà, de rattige babysmokkelaar uit A.F.Th. van der Heijdens Tandeloze tijd-cyclus. Het zijn de eerste zinnen van Het hof van barmhartigheid (1996), die dankbaar zijn opgenomen in het pas verschenen Doodverf, waarin Van der Heijden een verhaallijn uit De tandeloze tijd heeft ‘opgelicht’ en als zelfstandige roman heeft uitgegeven.
Gesù gaat verder: ‘Ik ken de topografie van het vrouwelijk lichaam op mijn duimpje. Zelfs aan het meest prikkelbare, snel gealarmeerde orgaan van de vrouw ontbreekt het niet. De Waddeneilanden zijn er feilloos aan toegesneden: de Kop van Noord-Holland. Den Helder met z’n marinebasis, is de plaats waar alle zenuwen samenkomen. Volgestouwd met radar… altijd op scherp.’
Er wordt altijd gezegd dat Van der Heijden zo’n gulzige schrijver is. En dat is-ie ook. Gulzig naar taal, naar verhalen, naar personages, naar geschiedenis, naar leven. Zijn proza is een zwellichaam dat steeds grotere proporties aanneemt; 26 centimeter meet De tandeloze tijd in mijn boekenkast, dat zijn pornolengtes.
‘Zelf hebben ze wel degelijk hun Afsluitdijk, dat kunstmatige hymen, waardoor de Nederlandse hoer weer maagd werd. Een stevig vlies van basalt en asfalt, om te doen vergeten welke schatten er langs die weg zijn binnengesleept… Het heeft iets aandoenlijks, zo’n toegevoegd maagdenvlies… een onschuldige theeroos achter het oor van een tippelaarster.’
Het is de misselijke wellust van Gesù die het oordeel velt over Holland, het altijd terugkerende onderwerp van de schrijver: ‘O, Koninkrijk der Nederlanden! Dampend moeras! Zompige flamoes! Drappige lepkous, borrelend van kwade gassen…! Onwelriekend als een viskraam ’s zomers om vijf uur in de middag…! Wie erin wegzakt, is verloren, voorgoed; curl up inside her, and die.’

A.F.Th. van der Heijden, Het hof van barmhartigheid, Querido, 1996