Joost Zwagerman

Pornotheek Arcadië

Joost Zwagerman, Pornotheek Arcadië
Uitg. De Arbeiderspers, 305 blz., ƒ36,90

In zijn nieuwe essaybundel geeft Joost Zwagerman in het beginstuk «Zeven manieren om nooit meer aan het werk te gaan» een mooi beeld van wat er gebeurt wanneer een schrijver schrijft. Hij of zij verdwijnt, meent hij, wist zichzelf tijdelijk uit, «opdat de verhalen en verbeelding» een stem kunnen krijgen. Ik vind «verbeelding» hier niet zo gelukkig, te vaak door anderen leeg gebruikt, te opzichtig, te veel niks mee bedoeld en zou liever willen spreken over «verzinning ». Zodra de schrijver schrijft, stopt hij schrijver te zijn, vervolgt Zwagerman enigszins cryptisch, maar wat mij betreft nog steeds zeer correct. Een schrijver probeert zich wanneer hij eenmaal aan het schrijven is gegaan uit alle macht niets meer te herinneren van wat schrijven ook alweer was of zou kunnen zijn, doet zijn uiterste best te vergeten wat hij ooit over schrijven gelezen of gesproken heeft en betreedt een gebied dat misschien het beste omschreven kan worden als De Grote Domheid. Hier heerst Onbegrip, is Onnozelheid koning, Leegte aan de macht en zijn haar metgezellen Warhoofderij en Kletspraat. Opdat het Niets moge bestaan en de «verzinning» toe kan slaan. Zwagerman gebruikt deze begrippen overigens niet, maar leunt met zijn beeld van schrijverschap toch verrassend dicht tegen het mystieke aan. Blijkbaar gaat het bij zijn schrijven niet zozeer om het knappe, het geconstrueerde en het bedachte, als wel om «stem» («zin») te geven aan het «ongehoorde». Zwagerman pleit hiermee impliciet dus voor schrijven dat zich al doende ontplooit, een tastend schrijverschap, hij beschouwt het niet als een invuloefening maar als een doorlopende «verzinning». In zijn poëzie vind je dit idee zeer zeker terug, in zijn proza is het minder expliciet, daar probeert Zwagerman het tastende dieper weg te stoppen omdat daar Het Verhaal andere eisen stelt. In zijn essays laat hij deze principiële schrijversstellingname niet vaak doorwerken. Hij gaat in hoofdzaak in op achtergronden en uitgangspunten van andere schrijvers, hun bedoelingen en effecten, niet op het «ongehoorde» of «verzwegene» dat toch altijd, zij het vaak nauwelijks hoorbaar of zichtbaar, in dat werk rondspookt. Het is jammer dat hij zich hierover niet wat meer ruimte gunt. Het zou bijvoorbeeld bij een oeuvre als dat van Truman Capote zeer de moeite waard zijn sporen van dit onzichtbare of het «transparante», zoals Zwagerman het ook noemt, te achterhalen. Maar hij wil nu eenmaal in deze essays liever dieper ingaan op de maatschappelijke beelden die van schrijvers bestaan, de poses rond hun schrijverschap die zij in de meeste gevallen zelf creëerden. Dit doet hij trouwens aanstekelijk, je hebt direct zin de door Zwagerman bewonderde schrijvers te lezen of te herlezen. Maar ik zou hem graag wat langer aan het woord willen zien over datgene wat zich aan de waarneming lijkt te onttrekken en wat zich toch tussen de zinnen door in literatuur verschuilt. Misschien in zijn volgende roman.