Portret van een charismatisch zoeker

Professor Dessaur schreef, als Andreas Burnier, om de chaos van het leven te bezweren en de eigen levenservaringen op schrift te stellen. Haar proza was bijterig, poëtisch, diepzinnig en ongrijpbaar, haar leven net zo wild en moeilijk als haar romans.

Het levensverhaal van Andreas Burnier lezen, is andermaal doordrongen raken van haar oorlogspijn. Ze heette nog Irma Dessaur en was elf jaar oud toen ze geplaatst werd op haar eerste onderduikadres, in 1942. Het zouden er zestien in totaal worden, gedurende drie jaar tijd. Zoals ze later schreef stond ze zichzelf niet toe een nieuwe verhuizing afschuwelijk of angstwekkend te vinden. Met kinderlijke magie besloot ze dat niets haar ooit zou kunnen deren. Toen ze werd herenigd met haar moeder, haar vader was ze al weer tegengekomen op een van de laatste adressen, sprak die de legendarische woorden: ‘Wie is die jongen?’ En toen ze eenmaal haar mond had opengedaan, merkte de moeder op: ‘Wat praat ze vreemd.’

Voor biograaf Elisabeth Lockhorn, literair journaliste die eerder bekend werd vanwege haar intensieve schrijversinterviews, was een belangrijke bron het Niod-archief waar de officiële typoscripten zijn ondergebracht van de enquête onder Nederlandse ondergedokenen tijdens de Tweede Wereldoorlog ten behoeve van een boek dat in 1995 verscheen. In een van de dozen is de beantwoording terug te vinden van Ronnie Dessaur, zoals Burniers officiële volwassen naam was. Hoe ze reageerde op de steeds wisselende situaties? ‘Door mij aan te passen aan de wensen en verwachtingen van het gastgezin. Ik las mij snel in.’ Ze omschrijft zichzelf als een halve theoloog, want het enige leeswaar waren meestal godsdienstige geschriften. ‘Ik ben in de oorlog antroposoof en communist en socialist geweest en gereformeerd van verschillende stromingen.’ De aanpassing was geen hypocrisie, zegt ze. Ze veranderde écht van identiteit. Een identiteitsverandering die in wezen haar leven lang gaande bleef. Van boerenkind moest ze een keurig Haags gymnasiaste worden, en later kwam de strijd om het jongensschap, werd ze criminoloog maar bleef ze ook schrijver, feminist en antifeminist, rationalist en mysticus.

Voor een biograaf is een traumatische jeugd als die van Burnier ‘het grote ding’, in die zin: je moet er iets mee. Veel, maar ook weer niet alles. Uiteindelijk moet je een mens in zekere zin ook weer zijn vrijheid gunnen, zeker een intelligente rebelse geest als Burnier. In haar biografie Andreas Burnier: Metselaar van de vrijheid is Lockhorn daarin zeker geslaagd. Op een vanzelfsprekende, geloofwaardige manier blijft ze veel van Burniers latere gedragingen en uitingen koppelen aan de beschadiging die zij en haar familie in de oorlog opliepen, zonder dat ze haar hiermee doodpsychologiseert. Hetzelfde geldt voor de manier waarop Lockhorn het werk van de schrijfster Burnier inzet als bron om meer van haar leven en persoon te weten te komen. Dat doet ze in feite ook zo vanzelfsprekend dat het bijna ongecompliceerd lijkt. Uit haar romans, zoals Een tevreden lach, Het jongensuur en De huilende libertijn citeert ze rijkelijk in de loop van het verhaal om de door haar gevonden levensfeiten te illustreren. Het lijkt geoorloofd, bij een schrijfster die zichzelf beschouwt als behorend tot de categorie schrijvers die schrijft om de chaos van het leven te bezweren en hun eigen levenservaringen, al dan niet getransformeerd, op schrift te stellen. Toch is er iets in haar werk, het bijterige, poëtische, diepzinnige en ongrijpbare, dat te kort wordt gedaan met een autobiografische lezing. Lockhorn schrijft in haar epiloog dat Burnier een voorloper was met haar ‘autofictie’. Het lijkt mij net een te simpele noemer voor het wilde, moeilijke werk dat zij maakte, en dat zich onttrok aan een scheidslijn tussen proza, poëzie en essayistiek.

Medium kat 2001 20pag 2016 20foto 20b1

Wat niet wegneemt dat Lockhorn een leeuwenklus heeft geklaard door zo’n gecompliceerd, rijk en tegendraads leven te openbaren in ordentelijke lijnen en hoofdstukken, vol met aangrijpende getuigenissen en smakelijke anekdotes over alle transformaties die Burnier doormaakte. Van een verwilderd, met de dood bedreigd boerenkind moest ze zich na de oorlog allereerst zien op te werken tot een keurige leerlinge aan een bekakt Haags lyceum. Erna volgde de studietijd in Amsterdam, die werd bepaald door toneelspelen en drinken, en halfslachtige pogingen er als een jongen uit te zien. Opmerkelijk fun fact: haar aanschurken tegen de Vijftigers resulteerde in een liefdesnacht met Remco Campert die zich in café Eylders aan het Leidseplein opeens geconfronteerd zag met een opmerkelijk meisje met kortgeknipt haar. ‘We beminden elkaar in een wrak eenpersoonsbed’, vertelt hij, om haar jaren later pas weer op straat tegen te komen: ‘Een ouderwets heertje, maar met hetzelfde zachte, lieve gezicht van vroeger.’ Haar echtgenoot_-to-be_ ontmoet ze als uitgever werkzaam bij het mysterieuze genootschap Castrum Peregrini, een engelachtige jongen met de klinkende naam Emanuel Zeylmans van Emmichoven. Ze is 22 en zwanger als ze met hem trouwt. ‘Zoals mensen in de oorlog soms uiteindelijk gaan collaboreren, uit vermoeidheid en lafheid, zo ben ik getrouwd.’ Haar zwangerschap verborg ze onder een donkerblauwe zeiljopper die tot over haar heupen reikte. Toen ze de kraamafdeling op liep, werd haar gevraagd: ‘Meneer, wat kunnen we voor u doen?’

Het moederschap van Burnier werd een pijnlijke aangelegenheid. Ik heb lang zitten kijken naar de foto’s die in drie katernen in deze biografie zijn ondergebracht, met name die waarop ze met man en kinderen staat, een idyllisch tafereeltje in een park omstreeks 1960, en een foto waarvan ze zichzelf volgens het onderschrift heeft afgeknipt. Wat je op die foto ziet, zijn de armen waarmee ze haar net geboren zoontje vasthoudt, 23 is ze, en doodongelukkig. Toch zal ze later zeggen dat haar kinderen haar leven hebben gered, omdat ze uit pure overspannenheid en neiging tot alcoholisme geen letter meer kon lezen en depressief was, al bestond dat woord toen nog niet. Een vreemde uitspraak, dat van dat leven redden, want na negen moeizame huwelijksjaren werd het huwelijk ontbonden en werden de kinderen in pleeggezinnen geplaatst. ‘Het afstand doen van kinderen loopt bijna als een rode draad door de familie Dessaur’, merkt een tijdgenoot op. Het zijn moeilijke, zwarte bladzijden in dit levensverhaal, waarop Lockhorn zich terughoudend toont. Het pleit voor het ontbreken van ieder spoortje sensatiezucht, maar heel ordinair vraag je je toch af wat er van de kinderen is geworden. Te meer daar wordt gesuggereerd dat ze ook nog slecht terecht zijn gekomen, het vijfjarige dochtertje zeker. Burnier zelf heeft naar verluidt ieder gevoel hierover verdrongen. In een mooi betoog verklaart de inmiddels overleden psychoanalyticus Hans Keilson, door Lockhorn geraadpleegd, dat haar fantasie en intelligentie haar hebben gered. ‘Haar intellect is haar huis geworden.’

In de literaire kritiek werd Burnier in eerste instantie tot vervelens toe vergeleken met Anna Blaman, terwijl dat psychologisch noch literair-technisch ergens op sloeg. Twee dingen vallen op als je de citaten leest uit recensies uit de jaren zestig en zeventig, door Lockhorn rijkelijk gebloemleesd: de taboes die kennelijk door Burnier werden geslecht in een tijdvak waarin homoseksualiteit werd gezien als een seksuele afwijking, én de uitgebreidheid en de ernst waarmee critici literair proza toen nog te lijf gingen. In 1967 ontving ze de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor haar debuutroman Een tevreden lach. Slank en getooid met zwarte zonnebril nam ze die als de Hollandse Françoise Sagan in ontvangst. ‘Ik vond dat je niet dik een prijs voor je literaire debuut in ontvangst kon nemen.’

Wat een leven, wat een vrouw. In haar verantwoording schrijft Lockhorn geen coherente beschrijving te hebben willen leveren vanuit een alwetende verteller, maar een collage van fragmenten, bestaande uit verschillende, elkaar soms tegensprekende ervaringen en verhalen, observaties en kwalificaties. De biograaf is in deze biografie inderdaad ouderwets áfwezig, hoofdstuk 1 begint – overigens met een heel mooie, geladen zin – conventioneel met de geboorte van het object. Met dat vermeende gebrek aan coherentie doet Lockhorn zichzelf echter te kort. Zo dienstbaar als deze biografie is, zo duidelijk rijst het beeld op van iemand die veel verloor maar ook veel won, die een androgyne persoonlijkheid neerzette die haar omgeving betoverde en inspireerde. Ze was de leermeester die een hekel had aan gezellige avondjes, maar zich graag omringde met lange blonde jongens met een mystieke intuïtie. Eens in de vijf jaar kwam ze er een tegen van wie ze wist: dat is er ook een.

Met haar proefschrift verhief ze zich in feite boven haar eigen vakgebied, de criminologie. Het was een meta-werk waarop ze cum laude promoveerde, maar dat te moeilijk was voor iedereen. Zoveel jaren later zou ze erover zeggen dat het het product was van academische bewustzijnsvernauwing: ‘Het gaat over helemaal niks.’ Juist in de interne tegenstrijdigheden, en de niet-aflatende moed een nieuwe denkrichting in te gaan, toont Lockhorn een volledig mens. Iemand die streefde naar verzoening en introspectie, maar strijdbaar was en extravert. Die een levenlang duits schreef zonder hoofdletter. Die niet bang was zich in het publieke debat te storten en onverwachte standpunten innam: tegen euthanasie, tegen abortus. Een bange vrouw, die anderen kon intimideren met haar gereserveerdheid. Die als de grandma werd gezien van de feministische revolutie, maar nog niet dood in het vrouwenhuis aangetroffen wilde worden. Die de massa zag als een gevaarlijk fenomeen. Die assertief op papier was, maar beschroomd in het dagelijks leven. Iemand die niet politiek dacht, maar religieus, en ontvankelijk werd voor meditatie, uiteindelijk terugkeerde in de joodse schoot. Ik vind het ontroerend wat ze begin jaren tachtig schrijft in een brief aan Chris Rutenfrans, compaan en collega. Dat het mooi zou zijn als je in je vorige levens zoveel had geleerd dat je in plaats van op je veertigste of vijftigste al op je twintigste de stap van begeerte naar bewustzijn kon maken. In ieder geval op een moment dat je tijd resteert om iets te doen met dat bewustzijn: iets beters dan cynisch of depressief te worden. Zij heeft dat bewustzijn op iedere leeftijd maximaal ingezet.


Beeld: Ronnie Dessaur als student, 21 jaar oud. Foto Erven Andreas Burnier