Portretkunst

En wederom duikt Tjitske Jansen in haar autobiografie. Vanaf haar daverende succes Het moest maar eens gaan sneeuwen lijkt Jansen gefascineerd door het herinneren, en ontrafelt ze het hier en nu en haar eigen doen en laten door terug te keren naar de vormingsjaren – hoe ben ik degene geworden die ik op dít moment denk te zijn, en wie hebben allemaal een rol gespeeld in die wording tot hier? Wanneer je een jeugd hebt doorgemaakt waarin je veelal op drift was, is zo’n vraag niet verwonderlijk.

Bildungspoëzie, zo zou je het werk van Jansen kunnen noemen. Ik blijf me verbazen over het gedetailleerde geheugen in de teksten van Jansen. Weinig lijkt vergeten, en het zijn de details die de particuliere verhalen kleur en contour geven. In een tekst waarin het schoorvoetende feminisme van de moeder wordt opgeroepen (‘Mijn moeder wees me op vrouwonvriendelijke reclames’), wordt haar stoere zelfstandigheid niet uitgelegd, maar via veelzeggende beelden getoond. Zo heeft ze de lage tafel in de woonkamer ‘zelf gemaakt/ net als mijn hoogslaper met bureau eronder/ en de wand van latten bij de keukentafel’. Liefst was ze ‘timmervrouw’ geworden, maar nee. ‘In de kippenfabriek werken, dat mocht wel.’ Jansen beschrijft hoe ze als jong kind aan de keukentafel zit, ‘schrijvend of tekenend’, terwijl haar moeder aan het koken is en meezingt met Cobi Schreijer. Al die details roepen niet alleen een specifiek leven op, maar ook een compleet tijdperk en milieu:

Op ons raam hing een affiche
tegen verkrachtingen binnen het huwelijk.
Op een keukenkastje hing eenposter
van Tom Selleck.

De wereld die we voorgeschoteld krijgen in Iedereen moet ergens zijn speelt zich grotendeels af in Barneveld. Jansen zet het soms verstikkende protestantse milieu vaak licht neer. Al wordt het jonge kind geschopt door juffrouw De Roos, van slachtofferschap is geen sprake. Mooi hoe de dorpse beklemming als doodordinair en weinig opzienbarend wordt beschreven, je hebt het als kind immers maar te doen met het leven dat je leeft: ‘De kerk en de Bijbelverhalen/ maakten deel uit van het Barneveldse leven/ zoals springtouwen, elastieken en sneeuwbessenstruiken/ onderweg naar school dat deden.’

Een leven vol restricties, maar vaak weet de ‘ik’ de mazen in het net te vinden en staat ze met haar vroegwijze instelling boven of naast de partijen. Als meneer Fraanje van de fietsenwinkel de ‘ik’ aanspreekt op haar ‘on-Bijbelse gedrag’ en haar verzoekt de volgende keer een rok te dragen, volgt een typisch Jansen-dialoogje, geestig, scherp, veelzeggend:

Ik: ‘Waar bemoeit u zich mee?’
Hij: ‘Wanneer jij iemand in de afgrond zag hangen
zou je die toch ook willen redden?’
Ik: ‘Dat hangt ervan af.’

Einde gedicht. Geen toelichtende regels, de lezer kan uit dit gesprekje zelf wel opmaken wat voor muffe toestand het daar was, en hoe zelfstandig de jonge vertelster.

Tjitske Jansen manipuleert de lezer waar hij bij staat

Jansen laat de lezer toe haar meanderende gedachten en overpeinzingen te volgen, maar weet doorgaans heel goed wat je weg kunt, of móet laten. Ze manipuleert waar je bij staat. Zo vertelt ze over haar eerste vriendje Erik, en hoe ze met hun ‘lichamen van achttien en vijftien jaar oud’ naast elkaar liggen op een strandje, ‘te doezelen, te bladeren in tijdschriften’. Wanneer de ‘ik’ al associërend op Gullivers reizen komt, moet ze denken aan haar vader die haar daar uit voorlas toen ze klein was, en aan zijn ‘vaak trillende handen/ ik kon ze tijdens het voorlezen van dichtbij bekijken’. Juist door het hierbij te laten, groeit het drama achter de façade.

Als de ‘ik’ naar Toppop kijkt en de telefoon gaat, neemt haar vader op, luistert vooral. Weer dat scherpzinnige beschrijven, dat geven en nemen:

Door de manier waarop hij tijdens dit luisteren naar mij keek
begon ik in de kamer heen en weer te lopen.
Toen mijn vader had opgehangen, riep ik:
‘Ik heb niks gedaan, ik heb niks gedaan, ik heb niks gedaan!’

Knap, hoe een moeilijke jeugd zonder veel larmoyante passages andermaal tot leven wordt gewekt. Het vakmanschap is evident, slechts hier en daar legt Jansen misschien nét iets te veel uit, en schrijft ze voorbij het einde. Niet elk gedicht is raak, maar het gaat om het grote geheel.

Jansens teksten doen me hier en daar denken aan de persoonlijke, schijnbaar alledaagse aantekeningen van Ton van ’t Hof, die soms net gedichten lijken, of aan het spel dat Tom Van de Voorde speelt met waarheid en verdichting in Jouw zwaartekracht mijn veer. Want wat staat het er allemaal schijnbaar goudeerlijk en terloops, in Iedereen moet ergens zijn. En dan de vorm. Is dit poëzie, proza, theater? Zijn het columns? Doet dat ertoe?

In het openingsgedicht, waarin Jansen beschrijft hoe ze haar Wikipedia-pagina niet herschreven krijgt, lijkt de strekking: je bent niet wie je denkt te zijn, je bent niet wie je wilt zijn. Jansens teksten zijn openhartig, noemen namen en rugnummers, maar de dichter lijkt op haar hoede. Om haar te parafraseren: ik vraag me af wat ze heeft verzonnen.

Op mijn vijfde wilde ik heel graag
bij het kinderkoor van onze kerk
wat niet mocht
omdat ik nog niet kon lezen.
Ik kon de woorden niet meelezen
laat staan de noten.
Maar als mijn moeder me zou helpen
bij het uit het hoofd leren van de teksten
en ik met uit het hoofd geleerde teksten
op de repetities kwam
mocht het toch.
Tenminste dat heeft ze me verteld.
Ik vraag me af of ze het heeft verzonnen.
Tijdens de eerste koorrepetitie zei de dirigent
een man met zwarte haren, een zwarte baard
en zwarte kleren: ‘Zingen is luisteren.’
Daar moesten we in de eerste plaats mee bezig zijn.
Je moest luisteren naar de anderen en jezelf.
Het zingen volgde dan als het ware vanzelf.
Ik vond het raadselachtig.
Ik probeerde te doen wat hij zei en had
terwijl ik daarmee bezig was
het idee dat ik deelgenoot werd
van een oud geheim over het zingen.