Post

Post

Heidegger en Husserl

De gedachte van Maarten van Buuren (De Groene Amsterdammer, 26 januari) dat Heidegger zijn leermeester Husserl in zijn studie Sein und Zeit nergens noemde om met dit doodzwijgen een soort vadermoord te plegen, is waarschijnlijk in extase op de fiets ontstaan. Bij lezing van Sein und Zeit blijkt Heidegger op de eerste bladzijde zijn werk ‘in verering en vriendschap’ op te dragen aan Husserl. Vervolgens ademt van welhaast iedere bladzijde van met name het eerste deel de geest van de leermeester. Naast een tiental expliciete verwijzingen naar Husserls werk toont Heidegger zijn schatplichtigheid ondubbelzinnig op pagina 38: ‘Als het hier volgende onderzoek enkele stappen vooruit doet in de ontsluiting van de “dingen zelf”, dan dankt de schrijver dat in de eerste plaats aan E. Husserl, die de schrijver gedurende zijn Freiburger studiejaren door intensieve persoonlijke leiding en volledige inzage in ongepubliceerde studies met de meest uiteenlopende gebieden van het fenomenologisch onderzoek vertrouwd maakte.’ Duidelijker kan men voor zijn lezer niet zijn.

De ironie wil dat er zelfs voor de schijn van een vadermoord geen grond is. Integendeel. Vóór 1933 al probeert Husserl, om zuiver filosofische redenen, in Berlijn, openlijk met Heidegger af te rekenen.

Dit alles laat de stelling van professor Van Buuren overigens onverlet: het filosofisch waardevolle wordt inderdaad zelden op de fiets bereikt. Of zoals Luijpen het een halve eeuw geleden formuleerde: ‘Meestal weet mijn lichaam meer van de wereld af dan ik zelf. Daarvan kan men zich rekenschap geven als men denkt aan akten als fietsen.’

HONORÉ SCHELFHOUT, Nijmegen

Fred van der Spek

Wat is in hemelsnaam de zin van een schotschrift gericht tegen Fred van der Spek, ‘ter gelegenheid van de oprichting van de psp 50 jaar geleden’? (De Groene Amsterdammer, 26 januari).

Ik heb hem vrijwel vanaf het begin tot aan het einde van deze partij, met tussenpozen, meegemaakt. Langere tijd zeker door hem beïnvloed, maar gaandeweg meer afstand genomen van zijn, in mijn waarneming, rigide opstelling. Zeker in de laatste jaren van de psp leidend tot verwijdering. Maar nooit, en ook nu niet, heb ik getwijfeld aan zijn integriteit.

Natuurlijk is het waar dat de geschiedenis van de psp er ook een is van veel onderlinge strijd, en natuurlijk is het waar dat daarbij vaak weinig pacifistische methoden gebruikt zijn. Ook door Fred van der Spek. Het menselijk tekort ging aan veel psp’ers bepaald niet voorbij.

Maar de soms openlijke, soms verhulde suggesties in het artikel van Aart Brouwer, dat belangrijke politieke issues in die tijd (Vietnam, het kolonelsbewind in Griekenland, het fascisme in Portugal, et cetera) aan persoonlijke of enge groepsbelangen ondergeschikt zouden zijn gemaakt, gaan de grenzen van het betamelijke te buiten. Ook de opmerking dat door de psp en met name door Fred van der Spek het ‘verfoeilijke Westen’ als de enige boeman werd gezien, raakt kant noch wal. Ik herinner me al te goed dat ik als groentje in de politiek zacht gezegd nogal verrast was door een opmerking van Fred van der Spek dat hij voor de VS zou kiezen als hij (‘met het pistool op de borst’) zou moeten kiezen tussen de Sovjet-Unie en de VS.

Terugkijkend (‘met de kennis van nu’, zoals de formule luidt) valt er veel terechte kritiek op de psp en haar politieke reilen en zeilen te formuleren – op welke partij trouwens niet? Maar dat vraagt wel om een pen die wat minder in gif is gedoopt dan die van Brouwer in genoemd artikel. Wat viel hier nu eigenlijk af te rekenen? Fred van der Spek moet inmiddels een oude man zijn. Al jaren geleden ben ik hem uit het oog verloren. Ik heb hem goed genoeg gekend om vrijwel zeker te weten dat hij er met de jaren niet milder of relativerender op geworden is. Maar daarmee verdient hij het nog niet om door Brouwer, met Freud in de hand, op deze manier te worden ‘afgemaakt’.

HENK BRANDERHORST, Doorn

Na het pardon

Ik snap die aarzelingen niet om de verdwenen, vertrokken en weggejaagde mensen niet weer op te nemen (De Groene Amsterdammer, 26 januari). We hebben een lijst met ruim 26.000 namen. Ieder van hen komt in aanmerking. Het weldenkende deel der natie en een hopelijk groter deel van de politiek hoort zich voor iedereen in te spannen die door Verdonk weggetreiterd is. Zij zijn namelijk echt slachtoffer van deportatie. Wij hebben dat niet kunnen keren. Wie gaat onderhandelen en beknibbelen op het getal van 26.000 treedt daarmee in de sporen van Verdonk. Maar ergens speelt me een historische vraag door het hoofd, een die werd gesteld aan mensen die na 1945 terugkwamen van een deportatie: wat komt u hier doen? Veel medemenselijkheid zie ik niet in het debat ‘Wie wel en wie niet’.

J. POST, Leeuwarden