Post

Post

Maserati

Mag het bijschrift bij de illustratie op bladzijde 41 van uw jongste nummer (De Groene Amsterdammer, 20 juli) toch liever zijn: ‘zuigers, drijfstangen en krukas’, ook al interesseert het Bas van Putten maar matig?

JOOST BERGISCH, per e-mail

Estafette

In het artikel ‘Estafette’ van Ger Groot (De Groene Amsterdammer, 29 juni) mis ik een verwijzing naar een artikel in Vrij Nederland van 5 juli 1997. Daarin wordt onder de kop ‘Vertaalestafette’ een gedicht van Gerrit Kouwenaar – Men moet zijn zomers (nog) tellen – onderworpen aan een desastreuze rondgang in zes stappen. Het gedicht is volkomen verminkt.

Het zou aardig zijn als u hier enige aandacht aan besteedt.

HANS BEEKMANS, Amsterdam

Freud

Los van de pro’s en contra’s over de theorieën van Sigmund Freud (De Groene Amsterdammer, 6 juli) lijkt mij de volgende kanttekening nuttig. Freuds theorieën hebben een verklarend karakter. Ik mis er een voorspellend element in: ‘Als ik (n)iets weet, kan ik (n)iets voorspellen’, aldus A.D. de Groot ooit. Freud is sterk in ‘verklaringen’ maar toetsbare theorieën of modellen zijn moeilijk of niet uit zijn betogen af te leiden. En met deze essentiële eigenschap staat of valt een wetenschappelijke theorie.

A.G. SANGERS, Epse

Terstall

Mijn post was een reactie op het artikel van Opheffer (De Groene Amsterdammer, 15 juni). Citaat: ‘Het is dan ronduit eng als je, vanuit een soort hoger echelon – dat niet eens een hoger echelon is – hoort dat je je aan “richtlijnen” moet houden. Dat je je “toon moet matigen”. En het is dan toch vreemd als de partij waar je lid van bent, de Partij van de Arbeid in dit geval, graag gebruikmaakt van “morele watchdogs” die de “morele zuiverheid” willen bewaken. Daar wordt nooit een goed doel mee gediend. Zeker niet als het wordt uitgesproken door een kunstenaar. Het idee dat ik onder mijn kennissen een morele watchdog had, vind ik bedenkelijk.’

Het pleidooi van Marien Pennings (De Groene Amsterdammer, 6 juli) voor Eddy Terstall slaat in ieder geval niet op mijn (bescheiden) ingezonden reactie. Er worden nu meningen en uitlatingen op mijn bordje geschoven die weliswaar in de media zijn gedaan, doch niet door mij. Over suggestief gesproken. Pennings moet zijn pijlen richten op de journalistieke zwaargewichten die – volgens hem – Eddy Terstall onterecht hebben bejegend. Hij reageert zijn woede af op het verkeerde stukje.

ELLEN TEN BRUGGENCATE, Rotterdam

Onderwijskunde

Opheffer schrijft (De Groene Amsterdammer, 22 juni): ‘Leerlingen die de orde verstoren, moeten niet in de klas zitten. Die moeten verwijderd worden. En als die dan op straat gaan pieren (…), dan is dat jammer, dan moet je die (…) in het gevang zetten.’

Hier wordt een misplaatste, hardvochtige vorm van ‘lik op stuk’ gepropageerd, voor wangedrag, dat (groten)deels door de scholen zélf in de hand wordt gewerkt.

Als onze gesprekken en de erop volgende te milde en ineffectieve straffen op niets uitlopen, wat dan? Dan vinden we dat de school ‘alles’ heeft gedaan. Dat ‘niets’ helpt. De leerling beschouwen we dan als ‘onaanspreekbaar’, ‘oncorrigeerbaar’, dus ‘onhanteerbaar’. Dan lopen we veel te snel van stapel. We gaan praten met ouders, die moeten vernemen dat hun kind ‘te gedragsmoeilijk’ is voor deze school. Dan komen deze pubers als ‘hardnekkige spijbelaar’ bij de leerplichtambtenaar terecht, of als ‘gedragsproblematisch’ op wachtlijsten van Zorgteams, Bureaus Jeugdzorg, Time-out Projecten, Speciaal Onderwijs. Er wordt te snel van licht naar zwaar geschut overgestapt.

Daarom: voordat het zó ver komt, hebben dergelijke dwarsliggers éérst récht op ‘middelzwaar geschut’. Effectievere vormen van pedagogische bestraffing, die hun gedrag ten goede kunnen keren, vóórdat men ze als ‘onhanteerbaar’ gaat betitelen, van school wil verwijderen en ouders bezorgd gaat maken. Het is verbazingwekkend hoe snel dwarse puberleerlingen afzien van wangedrag als ze weten dat de ‘prijs’ daarvoor ‘fiks’ is. Een ‘irritante’ sanctie, die flink beslag legt op hun vrije tijd en die meteen de ouders informeert over de precieze aard van hun wangedrag doet wonderen. Dat boekje over ‘orde’ dat Opheffer nog niet gelezen had (dat Wie de leerling liefheeft heet) introduceert een dergelijke effectieve pedagogische middelzware tussenmaatregel.

Misschien had Opheffer na lezing daarvan iets anders geschreven. Bijvoorbeeld: ‘Als leerlingen óndanks een dergelijke aanpak dóórgaan met het verstoren van de orde, moeten zij niet in de klas zitten (…)’ Ja, inderdaad, dán is er inderdaad een aanleiding om over verwijderen te gaan nadenken. Maar eerder niet. Dat leidt onnodig tot vroegtijdige schooluitval.

M. HARICO, per e-mail

werkzaam in zorgteams op vo-scholen