Post

Post

Mail uw post naar groene@groene.nl

DAVID HUME

In zijn mooie inleiding op het complexe denken van de Schotse Verlichtingsfilosoof David Hume schrijft Rob Hartmans (De Groene Amsterdammer, 16 november) dat Hume ‘in politiek opzicht (…) dus conservatief’ was. Nu klopt het dat Hume in veel opzichten tegen te snelle, radicale hervormingen gericht was (op zijn sterfbed had hij wel lof voor de Amerikaanse revolutie), maar met zijn pleidooi voor vrije handel, vrijheid van meningsuiting, vrijheid van personenverkeer en betrouwbare eigendomsrechten is Hume, samen met zijn goede vriend Adam Smith, wel een van de grondleggers van het liberalisme. Dat was toen nog een radicale optie. In het grootste deel van Europa waren middeleeuwse gilden en feodale eigendomsrelaties nog de norm.

Dat Hume, zoals Hartmans terecht Rawls aanhaalt, in zijn argumentatie breekt met de sociaal-contractdenkers Hobbes en Locke zit ’m vooral in het feit dat Hume, die in zijn tijd een beroemd historicus was, het sociale contract als een historische fictie beschouwde. Hume was wars van op abstracte idealen (God, het sociaal contract, de rede, enzovoort) gebaseerde ideologieën. Daar kwam alleen maar ellende van. Daarom ook is het zo misleidend om Hume in navolging van Rawls als ‘grondlegger van het utilitarisme’ te zien. Hume gebruikt ‘utility’ wel als verklarend principe, maar niet, zoals de utilitarians, als de rechtvaardiging om het maximale geluk/nut voor de meeste mensen na te streven of om daarin het morele fundament van de maatschappij te zien.

Ten slotte zit er nog een mooi Nederlands tintje aan Hume’s politieke denken. Wie Hume’s utopische essay Idea of a Perfect Commonwealth eenmaal inziet, kan lezen dat hij expliciet de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën als voorbeeld kiest. Maar hij oppert wel suggesties om die democratischer en stabieler te maken. Er zijn schaduwkanten aan Hume’s politieke denken (hij is racist), maar juist zijn doordachte afkeer van ideologie maakt hem juist ‘verrassend actueel’.

ERIC SCHLIESSER,

Universiteit Leiden

LUCIA DE B.

‘Ook is het een vergissing dat mensen als ’t Hart denken dat de uitspraak van de Commissie tot vrijspraak zou kunnen leiden’, zegt Margreet Fogteloo in haar commentaar (De Groene Amsterdammer, 9 november) over de zaak Lucia de B. Aangezien ik nergens heb gezegd dat ik dat denk, verbaast mij deze opmerking in hoge mate. In het stuk zegt Fogteloo ook dat Lucia een ‘voormalig drugsgebruikster’ was. Dat was zij niet, dus dat is laster. De teneur van het stuk is dat leken zich niet met de rechtspraak moeten bemoeien. Als Zola er indertijd ook zo over had gedacht, lag Dreyfus nu begraven op Duivelseiland.

MAARTEN ’T HART

Lucia de B. (2)

Dat niemand baat heeft bij een bewuste beschadiging van de hele rechtspraak, zoals Margreet Fogteloo stelt (in De Groene Amsterdammer, 9 november), zullen de meeste Nederlanders met haar eens zijn. Dit betekent niet dat misstanden binnen de magistratuur – het ‘old boys network’ – niet eens aan de kaak zouden mogen worden gesteld. Dit is mijns inziens zeer dringend nodig en ik ben er zeker van dat velen deze opvatting huldigen.

De rechterlijke macht presteert het in haar taakuitoefening een uiterst kostbare zorgvuldigheid te betrachten en jaagt daarnaast in schimmige juridische/rechtswetenschappelijke zaken dikwijls een mate van perfectie na die nooit en te nimmer is te realiseren. Er mogen dan weinig fouten worden gemaakt binnen de vaderlandse rechtspraak, iedereen weet dat rechtspraak mensenwerk is en blijft. De magistratuur vormt sinds mensenheugenis een ‘elite’ binnen onze samenleving, en men weet zich tot op de dag van vandaag efficiënt af te schermen van ‘corrigerend’ burgeractivisme. Onze volksvertegenwoordigers, de mensen van wie we zouden mogen verwachten dat ze op de bres staan voor het welzijn van de totale gemeenschap, zijn nauwelijks in staat, dikwijls zelfs niet bereid, daar iets aan te veranderen. Maar al te dikwijls behoren ze zelf tot een van de betreffende beroepsgroepen of hebben ze interessante connecties in/met het betreffende circuit.

De hele exercitie rond de zeer complexe zaak van Lucia de B. heeft niet, zoals Margreet Fogteloo stelt, alleen maar verliezers opgeleverd. Het toont juist duidelijk aan dat er terecht weinig vertrouwen in onze rechterlijke macht bestaat. Zelfs wanneer ‘rechters’ in staat zouden zijn een vonnis in de rechtszaal helder uit te leggen, hetgeen in zeer complexe zaken als deze nauwelijks haalbaar lijkt, dan nog schort er zeer veel aan ons justitiële circus.

GATZE LETTINGA

emeritus hoogleraar WUR

Lucia de B. (3)

De zaak rond Lucia de B. is uitzonderlijk, maar niet uniek: de zogenaamde balpenmoord, zedenzaken waarin de getuigenis van jonge kinderen de enige bewijslast vormt – allemaal zaken waar een cruciale rol is weggelegd voor een feitelijke vraag: heeft het vermoede misdrijf wel plaatsgehad? Stel dat er een uitzonderlijke situatie optreedt die eenvoudig verklaard kan worden doordat iemand ergens heeft ingegrepen. Die iemand kan, met uitsluiting van anderen, worden geïdentificeerd. De conclusie dat die iemand er dan de oorzaak van is, is meestal juist. De meeste veroordelingen van ontkennende verdachten zullen op een dergelijke redenering worden gebaseerd. Het gaat pas fout als er twijfel kan bestaan of de geconstateerde feiten wel zo zijn als ze lijken.

Dat iemand als Lucia de B. in staat zou zijn geweest ongemerkt veel mensen een handje te helpen om iets eerder dood te gaan is onomstreden. De vraag is hoe je dat wettig en overtuigend bewijst. Tijdens het proces is duidelijk geworden dat er geen enkel direct bewijs bestaat dat Lucia de B. heeft bijgedragen aan eerder overlijden van haar patiënten. Ook is het forensisch bewijs van een verhoogde dioxineconcentratie en verhoogd kalium (kritische medicaties die erg geschikt zijn om gemanipuleerd te worden) niet voldoende om volgens erkende deskundigen te concluderen dat er zelfs maar een moord heeft plaatsgevonden. Je kunt tegenwerpen dat deskundigen hier verschillende meningen zouden hebben. Dat zou rechtvaardigen dat rechters, geconfronteerd met wetenschappelijke controverses, een interpretatie kiezen. Als rechters echter moord bewezen verklaren en daarvoor een cruciaal stuk wetenschappelijk bewijs ontbreekt, dan kan men hopen en misschien zelfs verwachten dat dat op den duur door wetenschappers wordt ontdekt en dat die dan hun mond niet houden. Op die gronden kan men echter in Nederland geen rechtszaak heropenen. Daar wringt de schoen.

Ik vind het als wetenschapper niet aanvaardbaar dat veroordelingen waaraan een essentiële feitelijke grond mist in stand kunnen blijven. Waar dus behoefte aan bestaat is niet aan een commissie die eigenlijk vergeefs probeert om een novum te vinden, maar aan een nieuwe rechtsgrond voor revisie: dat volgens wetenschappelijk inzicht aan een veroordeling de feitelijke grondslag ontbreekt of althans dat er reden is om aan de bewezenverklaring van de feiten op wetenschappelijke gronden te twijfelen.

Het vertrouwen in de rechtspraak wordt ondermijnd doordat het verweer van de rechter, dat alle feiten ter tafel zijn gekomen en dat rechters nu eenmaal het laatste woord hebben, niet wegneemt dat een vonnis inhoudelijk gezien een onjuiste conclusie kan trekken uit de feiten. Ik denk dat Margreet Fogteloo dit punt niet begrijpt, maar dit is precies waarom ik en vele van mijn collega’s de petitie voor Lucia de B. hebben ondertekend.

Beslissingen over veilige constructies voor vliegtuigen laat je niet nemen door rechters, maar door ingenieurs. Of een vonnis een adequate weerspiegeling is van de feiten kan beter door wetenschappers worden beoordeeld dan door juristen – en die wetenschappers moeten een stem krijgen.

DR. IR. G.J. TE MEERMAN

universitair hoofddocent medische genetica, RuG