Post

Post

Mail uw post naar groene@groene.nl

EEN ENGELS MONOPOLIE

Dick Pels besluit zijn pleidooi voor het Engels als wetenschapstaal (De Groene Amsterdammer, 2 november) met een vraag aan het adres van Couwenberg (die hij een ‘taalsentimentalist’ noemt): ‘Hoe Europees gezind en toekomstgericht is een natie die haar identiteit zoekt in een krampachtige loyaliteit aan een taal die ons niet verder brengt dan Hoek van Holland, Lobith en Kortrijk?’

Voorbij die twee grensplaatsen Lobith en Kortrijk krijgen wij echter te maken met mede-Europeanen, wier moedertaal het Duits of Frans is (nog afgezien van de specifiek Belgische complicaties). Dat zijn dus die twee andere hoogst belangrijke Europese talen, die ‘wij’ vroeger in een voortgezet of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs behoorden te kunnen lezen, spreken en/of schrijven.

Deze vereisten zijn al grotendeels opgegeven, en dat is misschien wel wenselijk of zelfs noodzakelijk in dat tweetalige (of voor de echte wetenschap zelfs eentalig Engelse) perspectief, dat ook door Abram de Swaan wordt aanbevolen. De beste oplossing zou dus die radicale tweedeling moeten worden: werkelijk wetenschappelijke betogen in het Engels en alles wat iets lichtvoetiger is, of van minder gewicht en pretentie, in onze eigen landstaal. Met deze taalkundige noodoplossing ben ik het nadrukkelijk oneens.

E.M. JANSSEN PERIO,

Rotterdam

THIJSSEN

Niet alleen ontbreekt in de Nederland-Leest-editie van De gelukkige klas de eerste alinea van de tweede bladzijde van de eerste druk (zoals al eerder opgemerkt), maar de uitgever heeft helaas ook de eigenzinnige spelling van Thijssen niet gehandhaafd. Bijvoorbeeld in Oktober, Woensdagmiddag: drie-in-de-bank, dicht-in elkaar, feitelik, om-de-weerga, dag-aan-dag, Natuurlike historie. Daardoor gaan ook nuances verloren als ‘Register’ als het voor het eerst ingevoerd wordt en als met aantekenen van ‘afkeuringen’ in het Register gedreigd wordt (Julie, Vrijdagavond), maar met een kleine ‘r’ toen het eenmaal ‘gewoon’ geworden was.

Als De gelukkige klas tot ons culturele erfgoed hoort, dan graag in Thijssens authentieke schrijfstijl.

F. VAN DER VALK,

Utrecht

WHAT I WAS

Met verbijstering heb ik Mirjam Noorduijns recensie van What I Was (De Groene Amsterdammer, 16 november) gelezen. Noorduijn bespreekt het origineel, een Nederlandse vertaling is nog niet verschenen, al wordt die wel aangekondigd. De vertaalster wordt keurig vermeld, maar voordat zij heeft kunnen laten zien wat zij ervan maakt, is haar vertaling al ontoereikend verklaard: ‘…en dat vertalingen – hoe goed ze ook kunnen zijn – de magie van de oorspronkelijke taal uiteindelijk altijd moeten ontberen’. Ik vind het onverteerbaar dat de recensente een mening over vertalingen in het algemeen koppelt aan een concrete vertaling die er nog helemaal niet is. Hoe goed of slecht Jenny de Jonges vertaling ook wordt, bij De Groene is ze al buitenspel gezet.

ALEID VAN EEKELEN-BENDERS