Post

Post

SUPERKAPITALISME

Het interview met Robert Reich (De Groene Amsterdammer, 18 januari) laat een mooie kans onbenut: er is niets in terug te vinden van de fundamentele discussie in de VS na de publicatie van het boek van Reich. Die discussie (in The New York Review of Books van december 2007 en januari van dit jaar) ging tussen Reich en de historicus Tony Judt. En de discussie werd voortgezet op economische blogs. De kern van Judts kritiek is dat Reichs analyse – politiek wordt gedomineerd door grote firma’s en financiers, superkapitalisme heeft de democratie overspoeld – weliswaar grotendeels juist is, maar dat hij kan weten dat zijn remedies gedoemd zijn om te falen.

Reich ziet als oplossing het individu dat zich meer bewust moet zijn van zijn rol als burger en minder van zijn rol als consument en investor. Maar Reich durft geen echte oorzaken aan te wijzen. Reich wil de democratie redden door de economie wat minder invloed te geven op de democratie. Judt daarentegen wil de democratie een sterkere invloed geven op de economie, om deze laatste meer te laten functioneren in het algemeen belang. Er zou volgens hem meer overheidscontrole nodig zijn in het economische verkeer en minder controle op het maatschappelijke vlak (Patriot Act!). In Judts ogen is Reich in wezen een voorstander van niets doen.

Curieus is dat geen van beiden op het idee komt dat de huidige verkiezingspraktijk een kwalijke rol speelt in de ontwikkeling van de Amerikaanse democratie. Deze praktijk die steunt op kapitaalkrachtige donoren, die daarvoor iets mogen terugverwachten en vaak ook krijgen, is in feite niets anders dan corruptie. Het zou in een groot deel van de democratische wereld als misdrijf worden beschouwd. Als de Amerikaanse democratie door economische belangen wordt bedreigd, dan zou deze corruptie de eerste prioriteit moeten krijgen.

Voor Reich is het bijzonder dat er in Nederland nog een relatief hoog vertrouwen in bedrijven bestaat. De verklaring ligt voor de hand. In Nederland heeft een groot deel van de ondernemingen de shareholder value (nog) niet omarmd als enige doelstelling en heeft het kabinet dit ook (nog) niet wettelijk voorgeschreven. Reich moet gewoon iets verder kijken dan zijn landsgrenzen. En in Europa moeten we wat indringender kijken naar de ontwikkelingen in de VS en daar lering uit trekken in plaats van de VS vrijwel blind te volgen.

MARTIN PHILIPPENS, Geleen

VDB

‘Hoezee!’ vind ik een onprettige term voor een vrijzinnig-democratische partij. (De Groene Amsterdammer, 18 januari). Het doet me meteen aan de nsb en/of Jeugdstorm denken. Zelfs als men aanvoert dat het een verbastering is van de oud-Hollandse term Hou Zee. Of dat koningin Wilhelmina ook hoezeede.

EVA VAN SONDEREN, Jeruzalem

RICHARD RORTY

Bij filosofen had Richard Rorty onterecht een wat dubieuze reputatie. Hij was vooral populair onder literatuurwetenschappers die zich met Franstalige ‘theorie’ en (veel erger) Heidegger inlaten. Het probleem is dat dit soort mensen vaak elementaire dingen in de wijsbegeerte niet begrijpen.

De ‘oude kamer van Richard Rorty op Stanford toegewezen krijgen’ (De Groene Amsterdammer, 3 januari) is voor Eelco Runia helaas niet genoeg garantie tegen het maken van elementaire fouten over Rorty en zijn rol in de filosofie van (laten we zeggen) de laatste 35 jaar. Runia noemt Rorty ‘een aanstichter van de linguistic turn’. Rorty heeft inderdaad in 1967 een boek geredigeerd met de titel The Linguistic Turn. Het was eens heel invloedrijk en populair; het is dikwijls opnieuw uitgegeven. Ik ben er in 1991 uit onderwezen tijdens een introductiecursus filosofie. Ik durf te wedden dat Runia dat boek nooit heeft opengeslagen, want dan was hem onmiddellijk opgevallen dat het om een verzamelbundel ging met artikelen uit het begin en het midden van de twintigste eeuw, die eind jaren zestig al klassiek geacht werden. De titel, The Linguistic Turn, verwijst naar de breuk in de geschiedenis van de filosofie die ook Rorty aan de invloed van de Duitse logicus Gottlob Frege (1848-1925) toeschrijft; het is de gedachte dat alle echte wijsgerige problemen taalproblemen zijn. Rorty’s verzamelbundel behandelde slechts één kant van die invloed, namelijk zoals die in het Engelse taalgebied heel populair was. Later probeerde Rorty met wisselend succes zijn Engelstalige collega’s op het belang van Heidegger en zijn (vooral Franse) intellectuele nalatenschap te wijzen.

In zijn artikel beschrijft Runia ten slotte hoe hij ‘pardoes’ Rorty op straat aansprak. Hij beschrijft Rorty als ‘onhandig en verlegen’ en hij citeert een buurman die beweerde dat Rorty een ‘hekel had aan small talk’. Het is natuurlijk gemakkelijk om een filosoof als zonderling af te schilderen. Maar ik vermoed dat de beleefde en zeer onderhoudende Rorty in verlegenheid was gebracht door de onwetendheid van zijn onbekende gesprekspartner.

ERIC SCHLIESSER, via e-mail