Post

Post

mail naar groene@groene.nl

Mathijs Bouman

In zijn laatste column (De Groene Amsterdammer, 1 februari) werpt Mathijs Bouman zich op als verdediger van de marktwerking. Het onbehagen daarover berust, schrijft hij, op een misverstand. Op veel gebieden heeft de marktwerking juist uitstekend werk geleverd. Hij noemt onder meer de telecombedrijven en het openbaar vervoer. Bij beide is de dienstverlening verbeterd en zijn de kosten gedaald. Wat het eerste betreft vraag ik mij af hoe het dan komt dat in de consumentenprogramma’s de, soms verbijsterend, slechte service een vast nummer vormt. Mijn indruk is dat de druk van de concurrentie er juist toe leidt dat het product al wordt verkocht voordat er van een behoorlijke service sprake kan zijn. De dan onvermijdelijke klachten zijn blijkbaar ingecalculeerd. Hoezo uitstekend werk?

En dan het openbaar vervoer. Aanbesteding van het streekvervoer leidde tot een kostenbesparing van twintig procent. Maar hoe is die besparing tot stand gekomen? Wat betekende die voor de betaling en de arbeidsvoorwaarden van het personeel? De hetze tegen de ‘luxueuze’ arbeidsvoorwaarden bij de gemeentevervoerbedrijven die nog niet zijn aanbesteed, geeft te denken.

Ook die stijging van het reizigersaantal hoeft niet per se aan een verbeterde dienstverlening te worden toegeschreven. De dienstverlening van de NS is niet om over naar huis te schrijven, terwijl het reizigersaantal toch toeneemt. Je kunt het niet over de successen van de marktwerking hebben en zwijgen over de prijs die ervoor moet worden betaald (en door wie). Ik kan mij niet voorstellen dat er geen economen te vinden zijn die dáárover wel eens een column in De Groene willen schrijven.

DICK BOER

Heksenjacht

Als historica heb ik anderhalf jaar onderzoek gedaan naar de heksenwaan in Europa, met name in Duitsland. Mijn bevindingen heb ik verwerkt in de historische roman Het Heksenhuis, die in april bij uitgeverij Conserve zal verschijnen. De column ‘Heksenjacht’ van Ger Groot (De Groene Amsterdammer, 25 januari) heb ik met meer aandacht gelezen dan gewoonlijk. Groot doet een aantal interessante observaties, zoals het weinig bekende feit dat het zeker niet alleen vrouwen waren die op de brandstapel belandden. In het bisdom Bamberg was in de zeventiende eeuw maar liefst 27 procent van de veroordeelden wegens hekserij man.

Dat in zowel protestantse als katholieke staatjes de heksenwaan periodiek in grote hevigheid kon losbarsten, heeft volgens mij ook te maken met de Reformatie c.q. Contrareformatie, en niet alleen met de opkomst van de moderne rede. De religie – van welke signatuur deze ook was – moest zichzelf tegenover haar ‘concurrenten’ opnieuw definiëren. Men werd daarbij steeds stelliger over wat wel en wat niet tot het ‘ware’ geloof behoorde. Tradities en vormen van bijgeloof die eerder een vanzelfsprekend onderdeel vormden van het dagelijks leven werden gezien als zwarte magie.

Overigens vonden in de Lage Landen bij de zee na het eerste kwart van de zeventiende eeuw geen heksenverbrandingen meer plaats. De heksenprocessen hier waren smaadprocessen: vrouwen dienden een klacht in wanneer iemand hen had durven uitmaken voor tovenares. In de meeste gevallen werd de beklaagde veroordeeld tot het betalen van een boete.

JACQUELINE ZIRKZEE, Leiden