Post

Post

mail uw post naar groene@groene.nl

Mantelzorg

Als een Tante Truus schrijft Koen Haegens een onjuist en tendentieus artikel over zaken waar hij duidelijk het fijne niet van weet (De Groene Amsterdammer, 7 maart). De hoofdlijn van zijn artikel is dat de wmo een verslechtering is. Dat is volstrekt onjuist, aangezien veel gemeenten de indicatiestelling, die voorheen door het Centrum Indicatiestelling Zorg (ciz) werd uitgevoerd, daar heeft laten doorlopen. Gemeenten die zelf de indicatiestelling zijn gaan uitvoeren, doen dit met de ook door het ciz gehanteerde ‘beslisboom huishoudelijke zorg’. Kortom, daarin is niets veranderd.

Haegens gooit de begrippen ‘gebruikelijke zorg’ (afdwingbaar) en ‘mantelzorg’ (niet afdwingbaar) door elkaar. Gebruikelijke zorg is vastgelegd, hoort bij de beslisboom en er bestaat al jaren jurisprudentie over. Vanaf de invoering van het protocol ‘gebruikelijke zorg’ bij het ciz zijn er mensen die het er niet mee eens zijn. Dit vanuit volstrekt verouderde opvattingen, zoals dat iemand met een fulltime baan geen huishouden kan draaien. Dat zou betekenen dat iedere single huishoudelijke hulp moet hebben! Is er meer huishoudelijk werk nodig dan gebruikelijk, dan kan er voor dit extra deel huishoudelijke zorg via de wmo toegekend worden. Van kinderen wordt verwacht dat ze huishoudelijk werk kunnen verrichten gerelateerd aan de leeftijd. Ook dit ligt al jaren vast en is onder de wmo niet veranderd. Mensen kunnen bovendien een bezwaarschrift indienen en er is cliëntenondersteuning – mogelijkheden genoeg dus om onjuiste indicaties aan te vechten.

Dat het besef doordringt dat de in Nederland zoekgeraakte eigen verantwoordelijkheid nog steeds nodig is, vind ik een gezonde ontwikkeling.

ROB SWAAK, Middelburg

Taalverloedering

Het is niet duidelijk of het stukje ‘Ongelooflijk leuk, zeg maar’ (De Groene Amsterdammer, 14 maart) van Rob van Erkelens een parodie of een litanie is. Indien het eerste, dan is het in elk geval een stuk minder geestig dan de klaagzangen over de teloorgang van de taal die W.F. Hermans schreef. Indien het laatste, dan toont Van Erkelens vooral zijn eigen onkunde en desinteresse in de Nederlandse taal.

Net als Hermans destijds hoort Van Erkelens wel eens wat in de tram. Om te begrijpen dat dit niets zegt over hoe mensen thuis, op school, op werk of in de kroeg praten, hoef je geen sociolinguïstiek te hebben gestudeerd. Van Erkelens ziet er echter een teken des tijds in. Over het wederkerend maken van bepaalde werkwoorden (‘ik besefte me’, ‘ik bedacht me’) schrijft hij: ‘Typisch een verschijnsel van deze tijd, de tijd waarin het ego groter en groter wordt en de taalschat kleiner en kleiner.’ Dat er misschien ook werkwoorden zijn die hun wederkerigheid juist verliezen, past niet in zijn straatje. Vervolgens ondergraaft hij overigens zijn eigen argument over het kleiner worden van de taalschat met een aantal prachtige voorbeelden van taalverrijking (‘Hé mattie, fawaka? Ik ga loesoe, man’).

Van Erkelens heeft geen hekel aan het taalgebruik van mensen, maar aan de mensen zelf. Helemaal ongelijk kan ik hem daarin trouwens niet geven. Hij ziet hun gebrek aan smaak, manieren en intelligentie en concludeert vervolgens – zonder onderbouwing – een correlatie met hun taalgebruik. In taalkundige standaardwerken zoals The Language Instinct van Steven Pinker en The Power of Babel van John McWorther worden alle argumenten van Van Erkelens niet alleen ontkracht, maar zelfs belachelijk gemaakt – want dat zijn ze. Op Nederlandstalige blogs als De Taalprof of Taalkoeien wordt door experts op toegankelijke en humoristische wijze gediscussieerd over nuances van onder meer spreektaal en taalvariatie. De eerste taalkundige die het bestaan van taalverloedering onderkent, moet ik daar nog tegenkomen. Ik raad Van Erkelens aan daar eerst eens een kijkje te nemen. Wellicht dat hij dan weer plezier kan beleven aan ons prachtige hedendaagse Nederlands.

ARNE MOLL, Amsterdam