Post

Post

SCHIETGENOT?
Het talent waarmee Henk Hofland nog altijd zijn commentaren produceert in twee kranten vind ik benijdenswaardig; als leeftijd- en stadgenoot (Rotterdam 1927) verbaast mij echter zijn lofzang op ‘het schieten’ (De Groene Amsterdammer, 11 juli). Na het bombardement, door hem herhaaldelijk beschreven, beleefde ik als twaalfjarige de intocht van Duitse troepen op de Statenweg en hun verrassende schietpartij (die overigens alleen een Duitse officier Student trof). Dat de zielige dood van een met een windbuks getroffen mus hem ‘tot pacifist’ zou hebben gemaakt, vind ik, met permissie, meer aandoenlijk dan geloofwaardig; gezien zijn spijtbetuiging, dat hij later (1948) in ‘onze eigen oorlog tegen de Republiek Indonesië’ niet met een echte Bren mocht schieten, maar werd ingedeeld bij ‘een peloton mortieristen’ (die de vijanden dus, zoals beschreven, slechts heel indirect en onpersoonlijk doodden).
Toen ik na mijn eindexamen gymnasium in 1946 rijp werd geacht voor dienstplicht, die uiteraard een ‘uitzending’ naar (nog net) Oost-Indië betekende, wilde ik dienst weigeren, omdat ik bezwaren had tegen ‘het schieten’ op Indonesische vijanden of vrijheidsstrijders, onder welk voorwendsel dit ook moest gebeuren. Een sympathieke psychiater verschafte mij echter de benijdenswaardige aantekening ‘S-5’ (of zo); in de overtuiging ongetwijfeld dat ik inderdaad volstrekt ongeschikt was voor enig ‘dienstverband’. Het lot van talloze minder fortuinlijke dienstweigeraars is toen echter bepaald beroerd geweest.
E.M. JANSSEN PERIO, Rotterdam

HERSENEN EN GENOT
Het is onjuist om te beweren ‘dat alle menselijke beleving niets anders is dan de chemische en elektrische uitwisseling tussen hersencellen’ (De Groene Amsterdammer, 11 juli). Een menselijke beleving als genieten is al duizenden jaren een onloochenbaar feit. Dat feit verdwijnt niet als de wetenschap vaststelt dat er dopamine in de hersenen vrijkomt wanneer er genoten wordt. De dopaminesecretie is gewoon óók een feit, een ánder feit. Sinds enkele decennia kunnen we, dankzij het neurowetenschappelijk onderzoek, geloofwaardig de volgende voorwaardelijke volzin uitspreken: ‘ALS iemand geniet, DAN is er dopaminesecretie in de hersenen.’ Het is een zonde tegen de logica om hieruit te concluderen dat genieten ‘niets anders is dan’ dopaminesecretie in de hersenen. Een voorwaardelijke volzin is namelijk een implicatie en géén identiteitsrelatie tussen de twee gevonden feiten.
Wij begaan deze logische zonde heel gemakkelijk door de vele valkuilen die de gebruikelijke taal over lichaam en geest voor ons graaft, zoals bijvoorbeeld in de lekker bekkende metafoor ‘verliefdheid is een heftige chemische cocktail in het brein’ (De Groene). Een weekbladredacteur is op het gebied van taal, retoriek, propaganda en verbale verleiding deskundiger dan de gemiddelde neurowetenschapper. Redacteur Van der Hoeven zou zijn lezers hebben kunnen wijzen op de valstrikken van de taal rond hersenen en gedrag. Jammer dat hij dat niet deed.
F.J. VOORN, Breda, van 1971 tot 1999 docent fysiologische psychologie

TEST
Leuk die museumrestauranttest, fijn dat Foam wint, ook fijn dat het Kunsthalcafé gedeeld tweede wordt (de enige plek ter wereld waar ze de beste bitterballen gratis verstrekken tijdens de openingen, daar kan Foam, nee niemand, tegenop).Volgend jaar weer! Hartelijke groet,
WIM PIJBES, hoofddirecteur Rijksmuseum

HEDONOMIE
Mathijs Bouman stelt (De Groene Amsterdammer, 11 juli) dat de economie ten doel heeft dat ieder mens of de gehele maatschappij zo veel mogelijk plezier kan maken. Hij stelt dit in de hedonistische traditie van Erasmus en Thomas Moore. Het economisch systeem van handelen – de economie – in de huidige maatschappij vindt plaats in het kader van het liberaal-kapitalisme, eufemistisch de vrije-markt-economie genoemd. In dit kader jaagt iedereen zijn eigenbelang na. Dit levert veel genot en plezier op en is voordelig voor iedereen. Het vervelende is alleen dat het toegenomen aanbod steeds meer gericht wordt op lustbevrediging en leidt tot vulgair hedonisme. Ik heb mijn twijfels of dit Erasmus en Moore voor ogen stond. Plezier en genot die niet in cijfers uitgedrukt kunnen worden, zoals bijvoorbeeld arbeidsvreugde, vallen buiten het systeem.
Af en toe moet de overheid in het systeem ingrijpen. Bijvoorbeeld omdat er mensen zijn die niet of onvoldoende te eten hebben of wanneer het produceren van al dat plezier leidt tot een ecologische ramp. Dan zorgen de economen ervoor dat de beleidsmaatregelen de werking van het systeem niet aantasten en het eigenbelang zijn centrale rol behoudt. Zij waken over ons plezier. Halleluja!
J.CHR. VASTRICK, Alphen aan den Rijn