Post

Post

VOOR VOLK EN GEWETEN
Van dode jubilarissen niets dan goeds, is het beeld dat achterblijft na lezing van het artikel ‘Voor volk en geweten’ (De Groene Amsterdammer, 17 oktober). Drie voormalige partijprominenten mogen met nostalgie terugkijken, zonder ook maar de minste kritische kanttekening. Daarvoor was voldoende reden geweest. De CHU was immers ook een partij met nogal wat antiroomse sentimenten: voor God, Nederland en Oranje, maar ook voor handhaving van het processieverbod en tegen het gezantschap bij de paus. In het artikel noemt Van Hulst als verdienste dat de Unie de Doorbraak heeft overleefd, maar dat is hooguit kwantitatief het geval geweest. Kwalitatief ging de Unie er door het vertrek van Lieftinck, Van Walsum, Van Rhijn en anderen in hoge mate op achteruit.
Zeker vanaf de jaren zestig had de CHU elk contact met de maatschappij verloren. Kruisinga merkt terecht op dat de CHU een plattelandspartij was. Overigens ook een partij die bestuurlijk veel meer in de melk te brokkelen had dan overeen kwam met haar omvang. Dat gold bijvoorbeeld voor het aantal burgemeestersposten. Een zelfgenoegzame partij die liever niet aan politiek deed. Jongeren in de Unie liepen daar ook tegenaan. Zo karakteriseerden de CHU-jongeren Vermaas en Van Dijk in 1967 in een boekje de Unie als ‘Oude wijn en oude zakken’. Vijf jaar later was er voor een jongere als Coos Huysen nauwelijks plaats in de Kamer.
CHU’ers lijken het beeld te koesteren dat ze er sinds de totstandkoming van het CDA nauwelijks meer aan te pas komen. Katholieken en antirevolutionairen zouden de lakens uitdelen en de posten verdelen. Zou de oorzaak hiervan ook niet kunnen zijn dat er vanuit de CHU-gelederen wel erg weinig nieuw bloed naar voren kwam? Het geheugen is overigens nogal selectief. Willem Scholten was van 1980 tot 1997 vice-president van de Raad van State, Wim Deetman was van 1989 tot 1996 voorzitter van de Tweede Kamer en Van Hulst, Kaland en Van Leeuwen zijn CDA-fractievoorzitter in de Eerste Kamer geweest. Dat is een behoorlijke score voor een partij die, toen ze – in 1972 – voor de laatste keer met een eigen lijst aan de Kamerverkiezingen meedeed, slechts zeven Kamerzetels behaalde (KVP 27, ARP 14).
Ik hoop dat De Groene ook in de toekomst aandacht besteedt aan de Nederlandse partijpolitieke geschiedenis, maar iets meer kritische zin zou dan wel op zijn plaats zijn.
JACOB TAMMENS, Den Haag