Post

Post

RENTES DE CARVALHO
In het interview met Rentes de Carvalho staat zijn Waar die andere God woont centraal (De Groene Amsterdammer, 5 december). Als sympathiserend scheldschrift ongetwijfeld een belangrijk boek. Maar vermeldt met het oog op goed historisch besef wel de juiste verschijningsdatum, te weten 1972 in plaats van 1987.
MAARTEN MENTZEL, Leiden

VASILI GROSSMAN
De insinuerende toon van Jacq Vogelaar in zijn recensie van Leven en lot van Vasili Grossman (De Groene Amsterdammer, 5 december) doet ironisch genoeg denken aan de sovjetmethodes om een schrijver in diskrediet te brengen. Grossman ‘had veel over voor publicatie van zijn werk’, schrijft Vogelaar: ‘In 1937 ondertekende hij een brief waarin om zware straffen voor de “moordenaars” van Gorki werd gevraagd. In de roman weigert Viktor Strum op het nippertje.’ Hiermee wordt de suggestie gewekt dat Grossman zo smakeloos was zijn hoofdpersoon de moed toe te dichten die hij zelf niet bezat. Vogelaars bewering is echter onjuist: Grossman zelf heeft de genoemde brief nooit ondertekend (wel twee enigszins vergelijkbare geschriften); Viktor Strum doet dat juist wél.
Niet alleen heeft Vogelaar een cruciale scène uit de roman dus niet of verkeerd gelezen, ook bij zijn verwijzingen naar Grossmans leven en overige werk wordt hij niet gehinderd door enige kennis van zaken. De suggestie dat Leven en lot wellicht eerder een tweede versie van Voor een rechtvaardige zaak is dan een vervolg erop – dat Grossman, met andere woorden, dezelfde roman aanpaste aan de politieke eisen van de tijd – is even onjuist. Het lezen van mijn nawoord of het doorbladeren van het eerste deel had hierover eenvoudig opheldering kunnen verschaffen. Ik kan Vogelaars tweemaal herhaalde vraag ‘Welke roman?’ dan ook slechts begrijpen als de verzuchting van een vermoeide recensent over zijn eigen onvermogen deze te laat verschenen roman in zijn tijd te plaatsen.
FROUKJE SLOFSTRA, New York

Meer brieven op pagina 66
OUDE KRANTEN
Tijdens het lezen van uw smaakvolle kerstnummer viel mijn oog op deze passage in de column van Mathijs Bouman: ‘Ontsla de krantenjongen en geef alle abonnees een speciale krantenprinter cadeau. Sluit die aan op het internet en de abonnee kan op ieder moment van de dag een kakelvers krantje uitprinten. Vol nieuws van slechts enkele minuten oud en met achtergrondverhalen aangepast aan zijn of haar persoonlijke smaak. Papier en inkt worden wekelijks gebracht door de postbode of melkboer.’
Een en ander toont weer eens het geringe praktische en psychologische inzicht aan van een econoom. Terwijl de krantenjongen mij nu een kant-en-klare krant aanlevert, word ik volgens uw columnist geacht om een half uur met de printer aan de slag te gaan. Die tijd besteed ik liever aan het lezen zelf. Bovendien heb ik geen zin om in de vroege ochtend de computer of printer aan te doen. Koffie zetten is op dat tijdstip het maximum haalbare. Wat die postbode betreft: TNT kennende zal er een flinke rekening met de inkt meekomen, er optimistisch van uitgaande dat het tot een daadwerkelijke levering komt. En de melkboer? Och wee, die is twintig jaar geleden reeds weggeconcurreerd in de vrije markt waar Bouman zo’n liefhebber van is.
PETER VELDHUISEN, Bosch en Duin

IBN KHALDUN
Machteld Allan heeft het maar moeilijk met de wetenschap: in haar recensie van de vertaling van Ibn Khalduns Muqaddima (De Groene Amsterdammer, 12 december) fulmineert ze tegen de gelijktijdig verschenen bundel artikelen over dit boek, die ze per abuis als ‘inleiding’ bestempelt. In haar ideologische ijver de wereld in te delen in pro- en anti-Edward Said-kampen komt ze daarbij tot meerdere, soms elementaire, lees- en begripsfouten. Zo schuift ze mij een mening in de schoenen die precies het tegenovergestelde is van wat ik werkelijk betoog. Ze schrijft dat ik de lezing van Ibn Khaldun als voorloper van de sociologie af zou doen als ‘“een schoolvoorbeeld van een oriëntalistische toe-eigening van een islamitische tekst”, wat gewoon weer neerkomt op de voor Arabisten verplichte rituele zelfkastijding op de maat van Edward Said’. Hier stelt ze een wijdverbreide maar door mij expliciet bekritiseerde visie voor als de mijne. Welgeteld één zin na het door haar gegeven citaat schrijf ik namelijk: ‘Hier wil ik echter een paar kanttekeningen bij deze wijdverbreide weergave plaatsen’, en de rest van mijn stuk onderbouwt die kritiek. Maar Allan hoeft blijkbaar andermans werk niet te lezen om haar conclusies te trekken.
MICHIEL LEEZENBERG