Post

Post

OLIE EN OORLOG
In bijna apocalyptische termen schrijft Rutger van der Hoeven over ‘de vloek van olie’ (De Groene Amsterdammer, 23 januari). Met onverholen aplomb presenteert hij de these dat er een direct en negatief verband bestaat zowel tussen olie en democratie als tussen olie en oorlog. Over dat tweede kan ik niet zo veel zeggen, over het eerste wel. Op het eerste gezicht lijkt de constatering ‘hoe meer olie, hoe minder democratie’ niet per se onjuist, maar bij nader inzien blijkt het allemaal minder eenduidig te zijn.
De analyse dat ‘petrolistische’ landen – ik zou liever spreken van ‘rentenierstaten’ – vaak een ondemocratisch bestuur hebben, is op zichzelf juist. De vraag is of dat komt omdat het rentenierstaten zijn of omdat andere factoren wellicht van doorslaggevender belang zijn. Met andere woorden, de ‘echte correlatie’ die Van der Hoeven constateert hoeft nog niet een causale relatie aan te tonen. Hij trapt daarmee in een bekende val en bevindt zich daarbij in goed gezelschap. Hij baseert zich in zijn bijdrage immers op een studie van Michael Ross (uit 2001) – door Van der Hoeven opgevoerd als de ‘meest geciteerde wetenschapper op dit gebied’ – die op zijn beurt weer teruggrijpt op een bijdrage van de vermaarde politicoloog Seymour Martin Lipset uit 1959. Centrale these daarin was dat ‘ontwikkeling en democratie gecorreleerd zijn’. Zeker waar het olie exporterende landen betreft, is die gedachte tot een jaar of vijftien geleden nauwelijks uitgedaagd en in feite steeds opnieuw bevestigd, nu dus opnieuw via een telefonisch interview met Ross en recentelijk ook door de New York Times-columnist Thomas Friedman (eveneens door Van der Hoeven instemmend geciteerd).
Maar is het wel zo simpel? Leidt olie tot minder democratie? Een reeks van recente (en minder recente) studies toont aan dat daar op z’n minst grote vraagtekens bij gezet kunnen worden. Ik heb zelf met een aantal collega’s in 1991 reeds een studie gedaan naar de relatie ‘olie en democratie’ in Koeweit, de rentenierstaat par excellence. Daaruit bleek niet alleen de historisch belangrijke rol van de handelsklasse als motor van politieke liberalisering, maar ook de onbedoelde ‘democratische’ gevolgen van het industrialisatie- en internationaal investeringsbeleid van de Koeweitse overheid. Later is door anderen de ‘rentenierstaat-theorie’ opnieuw onder de loep genomen en zijn de tekortkomingen ervan feilloos aangetoond.
De politicoloog Michel Herb leverde daar met zijn All in the Family (1999) een niet te onderschatten bijdrage aan. Conclusie van die omvangrijke studie was dat niet zozeer ‘olie’ als wel regimetype als verklarende (onafhankelijke) variabele aangewezen zou kunnen worden. Naar aanleiding van Ross’ studie lanceerde Herb in 2005 vervolgens een zo mogelijk nog frontalere aanval op de olie-leidt-tot-minder-democratie-these. Op basis van gedegen empirisch onderzoek komt Herb tot de nuchtere conclusie dat ‘olie’ inderdaad bepaalde effecten heeft op politiek, maar dat deze effecten per land enorm kunnen verschillen en dat het motto van de ‘autoritaire petrolist’ – vooral door Friedman aangehaald – namelijk ‘geen vertegenwoordiging zonder belasting’, naar de vuilnisbelt kan worden verwezen.
Andere factoren zijn wellicht belangrijker als we willen verklaren waarom sommige regimes autocratischer zijn dan andere. Te denken valt aan ideologische factoren, het ‘demonstratie-effect’ van de regio, het hardnekkig voortbestaan van patrimoniale tradities (én de daarbij horende instituties) en niet in de laatste plaats de internationale omgeving. Deze factoren worden niet alleen meegenomen en gewogen in Herbs analyse, maar ook in studies van bijvoorbeeld Eva Bellin, van Richard Youngs en van mijzelf (in een recente studie naar de veerkracht van het Saoedische koningshuis). In dat laatste geval blijken externe (f)actoren – de steun van de Verenigde Staten – minstens zo belangrijk als de hoge(re) olieprijs. Slordig van Van der Hoeven dat hij de meningen van Ross en Friedman kritiekloos herhaalt.
PAUL AARTS, Amsterdam

CHANTAL VAN DAM
In de recensie ‘De keuken legde zich toe op kroketten’ (De Groene Amsterdammer, 9 januari) wordt Chantal van Dam geciteerd, schrijvende: ‘Een gehaktbal at je puur, maar niet nadat je de Heer voor deze spijs had bedankt.’ Het kan zijn dat zij dit inderdaad zo opgeschreven heeft, hoewel haar gewoonlijk zorgvuldige schrijfstijl dit onwaarschijnlijk maakt. Het is ook mogelijk dat de recensent uitgegleden is. Vast staat in elk geval dat ‘niet nadat’ in de geciteerde zin iets anders betekent dan de schrijfster voor ogen stond. Vermoedelijk bedoelde zij: ‘pas nadat’ of ‘niet voordat’. Denkt U ook niet?
ALI VISSER