Post

Post

Verlichtingsfundamentalist
In een slecht geïnformeerd maar insinuerend stukje van Rob Hartmans (De Groene Amsterdammer, 13 februari) probeert hij mij als verlichtingsfundamentalist gelijk te stellen met moslimextremisten, maar ook met Geert Wilders. Hij heeft het over ‘het heilige geloof der Verlichting, dat ten onzent wordt gepredikt door Geert Wilders, Paul Cliteur en Herman Philipse, die verkondigen dat je je eerst volledig moet aanpassen aan deze dominante religie, en dat je pas daarna deel uit mag maken van onze samenleving’.
Gepredikt? Verlichtingsgeloof? Aanpassen aan ‘onze’ samenleving? Mag ik Hartmans erop wijzen dat Geert Wilders het centraal stellen van de joods-christelijke cultuur als leidend perspectief heeft geproclameerd, terwijl ik in mijn boek Moreel Esperanto (2007) nu juist een pleidooi houd voor een ‘religieus neutrale staat’ en expliciet afstand neem van het centraal stellen van de ‘joods-christelijke traditie’. Verder heb ik helemaal geen ‘heilig geloof’ in ‘de Verlichting’, maar bepleit ik alleen wel morele autonomie als het beste uitgangspunt voor een maatschappij die gekenmerkt wordt door aanzienlijk religieus verschil. Weet Hartmans iets beters?
PAUL CLITEUR, Leiden

De glorie van Carl Schmitt
Mijn bezwaren tegen Carl Schmitt hebben zeker te maken met mijn leeftijd (81 jaar) en mijn ervaringen – en die van mijn familie – met ‘de Duitsers’, in de jaren ’40-’45 met name. Volgens Merijn Oudenampsen (De Groene Amsterdammer, 30 januari) moeten we in hem ‘de lieveling van nieuw rechts’ zien. Daarbij wordt ‘zijn affiliatie met de nazi’s’ wel erg terloops vermeld, evenals zijn fameuze radicale onderscheiding van vriend en vijand. Deze tegenstelling speelde uiteraard vanouds een rol in elke oorlog of burgeroorlog, maar de gladakker Schmitt doelde zeker allereerst op die tegenstelling binnen het eigen land of volk; in een ‘echte’, dus ‘buitenlandse’ oorlog was die tegenstelling uiteraard nog onnoemelijk veel bloediger.
Het blijft een deprimerende zaak om in dit landje van de onbeperkte onmogelijkheden nog te verwijzen naar die massa van Duitse diepdenkers die het nieuwe Duitse Rijk rijp maakten voor hun Führer. Jünger en Heidegger werden ook in ons land het meest bekend en (nu ja) vereerd, de invloed van Schmitt was echter in zijn eigen land het grootst. Hij gold al vanaf circa 1919 als een zeer grondige en geleerde vijand van de jonge Duitse democratie van ‘Weimar’. Een opvallend brutale apologeet van de nazi’s en hun Führer werd hij echter vanaf 1933.
E.M.JANSSEN PERIO, Rotterdam