Post

Post

In Den Haag
Aukje van Roessel laat in haar column ‘In Den Haag’ (De Groene Amsterdammer, 27 februari) de voorzitter van gehandicaptenorganisatie Philadelphia, Elco Brinkman, nog redelijk aardig wegkomen. De financiële puinhoop die onder zijn voorzitterschap bij Philadelphia is ontstaan, staat bepaald niet op zichzelf. Bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds is het van hetzelfde laken een pak. Onder zijn voorzitterschap is de dekkingsgraad (verhouding bezittingen-langetermijnverplichtingen) tussen het einde van het derde kwartaal 2008 en 30 januari 2009 gezakt van 118 naar 90 procent. In geld: over geheel 2008 verdampte het vermogen van het ABP met 44 miljard euro! Belangrijkste oorzaak: risicovolle beleggingen en de dalende rente. Honderdduizenden pensioengerechtigden kunnen fluiten naar hun compensatie voor de inflatie en de loonstijgingen.
En of dat nog niet genoeg is: bouwend Nederland (met Brinkman als voorzitter) krijgt opnieuw te maken met frauduleuze handelingen van bouwondernemingen. In Limburg zijn de eerste arrestaties inmiddels verricht, maar vandaag (4 maart) duiken de eerste krantenberichten alweer op dat ook elders in het land onoorbare bouwpraktijken plaatsvinden. Kennelijk heeft de bouwenquête weinig invloed gehad op het verderfelijke gedrag van Bouwend Nederland. De 23 bestuurlijke functies van Brinkman – en ik hoop dat daar ook de laatste benoeming van januari 2009: voorzitter van de Tijdelijke Commissie Innovatie en Toekomst Pers, in meegenomen is – zijn er 22 te veel. Onze meest ‘invloedrijke bestuurder’ kan zich beter richten naar een aloud spreekwoord: wie ’t kleine niet eert, is ’t grote niet weerd.
GERARD KOLSLOOT, Amersfoort

Italianen in Amerika
Met zijn artikel over Italiaanse migranten in Amerika doet Frans Verhagen (De Groene Amsterdammer, 6 maart) een moedige poging om ‘onze problemen’ met Marokkaanse immigranten te relativeren door te wijzen op een aantal overeenkomsten met de Italiaanse migranten in de VS. Hebben ‘wij’ nu moeite met de islam, welaan: dat katholicisme van die Italianen was in pakweg 1920 in de VS ook bepaald geen aanbeveling, zo betoogt Verhagen onder meer. Tegelijkertijd onderstreept hij hiermee, wellicht onbedoeld, het dubieuze belang van ‘de culturele factor’ bij het duiden én verklaren van integratieproblemen.
Uiteraard kunnen culturele factoren van belang zijn, vaker wijst het al te gemakkelijke benadrukken van cultuurverschillen op het bestaan van hardnekkige vooroordelen. Veelzeggend is Verhagens verwijzing naar Puzo’s The Godfather. Boek en vooral Coppola’s gelijknamige verfilming worden inderdaad alom geprezen, maar Puzo en Coppola produceerden er vooral ook een hardnekkige culturistische (zou Groene-medewerker Willem Schinkel zeggen) mythe mee. Richard Nixon of all people zou op enig moment zelfs verzucht hebben: ‘But where do we find an honest Italian American’. Puzo’s boek was, zoals hij later zelf toegaf, intussen vooral gebaseerd op krantenknipsels. Op een en ander wordt gewezen door Mangione en Morreale in hun magistrale La Storia. Five Centuries of the Italian American Experience (1992), een fraai en belangrijk overzicht van het wel en wee van de Italianen in de VS.
Toegegeven, ondanks Puzo is het goed gekomen met de Italianen in de VS.
CEES BRONSVELD, Rotterdam