Post

Post

John Lukacs

In zijn sympathieke signalering van het door ons uitgegeven boek van John Lukacs Vijf dagen in Londen merkt Rob Hartmans (in De Groene Amsterdammer van 6 mei) op dat de auteur beweert dat Hitler na mei 1940 de oorlog niet meer kon winnen. Dat is een brug te ver. Lukacs’ centrale stelling luidt dat Churchill in mei 1940 de uiteindelijke geallieerde overwinning mogelijk heeft gemaakt door in die cruciale dagen niet toe te geven aan de neiging het met Hitler op een akkoordje te gooien.

JAN METS, Amsterdam

Mets & Schilt uitgevers

Nederland

verdrinkt niet

Maar rustig slapen gaan is er echt niet bij (zie De Groene Amsterdammer van 29 april). De discussie over de klimaatverandering op onze wereldbol is de afgelopen vijf jaar gekenterd van «vermoedelijk» tot «ja, wel degelijk». Over de gevolgen voor ons waterbeleid zal een hartig woordje gesproken moeten worden. Tot nu toe denkt de oude garde bij Rijkswaterstaat en de Waterschappen slechts aan de rijzing van de zeespiegel en het binnenwateroppervlak. Zeker niet ten onrechte, maar waar blijft de aanzet tot beleid voor het grondwaterbeheer? Het peil van het hoge grondwater is immers een afgeleide van het opper vlaktewaterpeil. Met de wetenschap dat nu reeds meer dan 34.000 huizen in Nederland te lijden hebben van te hoog grondwater is het niet moeilijk te voorspellen dat dit aantal drastisch zal stijgen. Nog meer vochtige woningen, ontwaarding van huizen en aantasting van de gezondheid van de bewoners? Het wordt hoog tijd dat in Nederland een gedegen grondwaterpeilbeheer in het beleid wordt opgenomen.

JOOP VRIESMAN

voorzitter Stichting Grondwater beheer Nederland

Stenen tijdperk (1)

Eindelijk een artikel (Met het Nieuwe Leren naar het Stenen tijdperk van Piet Gerbrandy in De Groene Amsterdammer van 6 mei) over de ontwikkeling van het huidige onderwijs dat me uit het hart is gegrepen. Sinds de invoering van de Tweede Fase maak ik mij ernstig zorgen over het achteruit hollende onderwijsniveau. Het ministerie van Onderwijs is zelf trouwens de eerste om de status van de docent-met-kennis te ondermijnen. De laatste actie van de kant van het ministerie waar over ik mij in dit verband opwind, is het feit dat het onderscheid tussen eerste- en tweedegraads vakgebied is opgeheven. Een tweedegraads docent zou op eerstegraads vakgebied mogen gaan lesgeven. Ik ben overigens bang dat Piet Gerbrandy niet overdreven heeft. Docenten worden tegenwoordig niet meer gerespecteerd voor de kennis die ze vertegenwoordigen, want kennis is niet meer belangrijk. Enige tijd geleden toog ik naar het CWI (het vroegere Arbeidsbureau) om te informeren of het CWI mij zou kunnen helpen aan een baan buiten het onderwijs. De juffrouw achter de toonbank keek mij meewarig aan en vroeg toen: «Kunt u dan tenminste nog wel typen?»

FIEKE KROON

lerares Frans

Stenen tijdperk (2)

Het spijt me, Piet Gerbrandy heeft niet overdreven. Wat het nog erger maakt, het is in het mbo en hbo niet anders. Toen onze zoon (16) een paar maanden geleden van een van zijn eerste mbo-lessen Engels terugkwam met de mededeling dat zijn lerares de volgende zin uitsprak: «You, you come forward for the class and tell us your meaning», sprongen de tranen in mijn ogen. Het voorbeeld is weliswaar erg praktisch, maar het staat voor de houding van de school leiding ten opzichte van de leerling: neerbuigend, respectloos en verwaarlozend.

Meer en meer wordt duidelijk dat de leerling in het middelbaar én hoger beroepsonderwijs mee-télt, in letterlijke zin: hij levert geld op voor het instituut. In het curriculum wordt voortdurend een beroep gedaan op de zich ontwikkelende leerling, diens zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid. Mooi, ware het niet dat dit een manier blijkt te zijn om de verantwoordelijkheid op de schouders van het kind te laden, een vrijheid-blijheid-klimaat te ontwikkelen en je als school leiding totaal niet verantwoordelijk te voelen voor de educatieve en pedagogische taak. Er is nauwelijks een sanctie op ongewenst gedrag en er zijn weinig instituutsnormen: kom je te laat, zit je de hele dag in het computerlokaal te msn’en, moet je dat toch zeker zelf weten. Al in het voortgezet onderwijs begint dit, met dien verstande dat men zich daar over het algemeen nog redelijk verantwoordelijk voelt voor de leerling. Maar de zelfstandige, verantwoordelijke leerling is ook daar hét doel waarnaar men streeft. Wat het basisonderwijs betreft: het feit alleen al dat pabo-leerlingen vanaf het nieuwe schooljaar een voldoende (ja, ja, een voldoénde) voor rekenen en Nederlands moeten halen om over te gaan zegt genoeg, zo niet alles.

Het onderwijs behoort zich voortdurend te vernieuwen, maar al 25 jaar wordt vernieuwing verward met verzakelijking en inleveren van verantwoordelijkheid. Voortdurend moet het onderwijs zich, veelal om financiële overwegingen, aanpassen. Een sterk onderwijsveld heeft echter een eigen boodschap en meer dan voldoende kracht om het behoud (nu: de herovering) van de pedagogische en educatieve taken te realiseren. Met de huidige populatie wordt het moeilijk die strijd te winnen, ben ik bang.

HELLA PRINS, Den Haag

In de ban van grijs?

«Achtennegentig procent van de Nederlanders deed, nou ja, eigenlijk niets.» Het model van veel oorlogsboeken – «veel informatie over helden, iets minder over schurken, enkele anekdotes die de tranen doen wellen en heel wat spannende details», noemde Chris van der Heijden in NRC Handelsblad ooit «het model De Jong» (zie ook De Groene Amsterdammer van 6 mei). Dit is geen «model De Jong», dit is een karikatuur.

De Jong spreekt inderdaad van «de foute sector», de «gehate minderheid» van NSB en aanverwanten. Maar zijn die overige, zeg 98 procent, allemaal «goed», «helden», «wit» bij De Jong?

Dat lees ik niet in bijvoorbeeld de volgende passages. «Nederland dat in de eerste drie bezettings jaren in zijn gedragingen over het algemeen, zij het vaak met lood in de schoenen, met de bezetter in de pas liep, is zich in het vierde jaar duidelijker gaan verzetten, meer dwars gaan liggen», zo omschrijft De Jong het effect van de april/meistakingen van 1943 (Het Koninkrijk, deel 6, tweede helft). En: «Tot de breedste ontplooiing kwam de Nederlandse illegaliteit pas in de hongerwinter (…). Daarbij denken wij dan niet alleen aan het feit dat in die hongerwinter velen aan het illegale werk gingen deelnemen van wie menigeen die er al middenin zat, vaak al jarenlang, het gevoel had dat zij zich wel erg laat waren komen aanmelden» (deel 7, tweede helft). Of over de collaboratie, door De Jong omschreven als «economische hulpverlening aan de bezetter» (deel 7,eerste helft): «Had men collaboratie in de zin van het op enige wijze bijdragen tot de versterking van het Duitse oorlogspotentieel strafbaar gesteld, dan had men na de oorlog vrijwel het gehele Nederlandse volk voor de rechter moeten dagen – een absurd en trouwens ook onbillijk denkbeeld. Dus maar de spons over de economische collaboratie? Bepaald niet» (idem).

Wel beweert De Jong dat «de gezindheid van de brede massa (die zich innerlijk niet neutraal opstelde maar snakte naar de onafhankelijkheid) de basis vormde voor alle vormen van verzet alsmede voor alle (verdergaande) illegale actie» (deel 7, tweede helft). Het aantal deelnemers aan illegaal werk wordt door De Jong («eerder een te lage dan een te hoge schatting») geschat in de orde van grootte van 25.000 (deel 7, tweede helft).

Een dergelijke schatting is er niet van het aantal mensen dat zich verzette – waarbij De Jong verzet omschrijft als elk handelen waarmee men trachtte te verhinderen dat de bezetter zijn vier hoofddoeleinden (gelijkschakeling, economische exploitatie, deportatie van joden en het verhinderen van hulp aan vervolgden en geallieerden) – maar het feit dat er eind 1943 volgens schatting 450.000 exemplaren van illegale bladen in omloop waren, dat begin 1944 het aantal onderduikers 100.000 en ten tijde van de bevrijding zo’n 350.000 bedroeg, dat er ongeveer 25.000 joodse onderduikers waren, dat voor al deze onderduikers onderduikadressen en voedsel beschikbaar moesten zijn, alleen al deze cijfers weerspreken Van der Heijdens bewering dat 98 procent van de Nederlandsers «eigenlijk niets deed».

Volgens mij geven deze citaten ook aan – welke kritiek men ook moge hebben op De Jong – dat hem geen zwart-witschema verweten kan worden.

JAN BLOK, Bergen

Mededeling

Door een technisch ongeluk ergens op de digitale snelweg is Opheffer deze week niet op tijd ter redactie gearriveerd. De oorzaak van dit incident is nog niet achterhaald. Maar volgende week is Opheffer, ijs en weder dienende, weer aanwezig.

REDACTIE