Post

Post

Kees Fens en de dagen van Merlyn
In zijn Kees Fens en de dagen van Merlyn (De Groene Amsterdammer, 3 juli) suggereert Ulli d’Oliveira dat J.J. Voskuil een ‘verrader’ is, ‘die het hele leven, alle menselijke betrekkingen en verhoudingen tot literatuur maakt’ – en dat dat iets is wat G.A. van Oorschot, in zijn flaptekst voor Bij nader inzien, juist Paul Dehoes/Jaap Oversteegen verwijt. Dat is natuurlijk een gotspe. Zowel voor Voskuil als voor het Merlyn-groepje van Jaap Oversteegen, Ulli d’Oliveira en Kees Fens, was ‘literatuur’ hetgeen waar het leven om draaide; en in feite een heilige zaak.
Waar het Van Oorschot om te doen was, was de vraag hoe je ‘literatuur’ gebruikte – en bij Voskuil was dat: om zichzelf te analyseren, tot zelfkennis te komen, hoe pijnlijk een dergelijk proces ook kan zijn. ‘Illusies doorprikken’ – dat zou je Voskuils levensmotto kunnen noemen en daarin was hij het tegendeel van Dehoes/Oversteegen, die zichzelf juist graag opblies.
Iemand als Voskuil die zichzelf eerlijk, oprecht en onbarmhartig op de snijtafel legt een ‘verrader’ noemen omdat hij fouten en tekortkomingen onder ogen durft te zien, is kleinzielig, lafhartig en m.i. volkomen onjuist. Overigens zie ik, anders dan d’Oliveira, Bij nader inzien niet als een sleutelroman, waarin Voskuil ‘eens eventjes’ afrekent met Oversteegen.
De controverse Maarten-Paul maakt deel uit van een dieperliggende problematiek van dit boek, dat geschreven is vanuit gevoelens van verdriet en teleurstelling: Maarten Koning/Han Voskuil leed in sterke mate aan wat wel de ‘maatschappijziekte’ wordt genoemd – de angst om na de beschermde jeugd en het vrije studentenbestaan de maatschappij in te moeten, een baan te nemen, zich te conformeren en een rol te spelen.
Eén voor één zag Maarten Koning/Han Voskuil hoe zijn vrienden na beëindiging van hun studie die stap namen – hij kon het niet en bleef alleen achter. En dat terwijl hij in de vriendenkring een solidair groepje had gezien dat na afloop van de studie – buiten de maatschappij! – bij elkaar zou blijven.
Dáár draait het boek mijns inziens om. Je moet Bij nader inzien lezen als een afscheidsbrief aan de vrienden: ‘Nog eenmaal wil ik jullie eraan herinneren. Zo waren jullie.’
Verder vind ik het aanhalen van Kees Fens die wist te vertellen dat Bij nader inzien ‘snert’ was, en daarbij blijkbaar opeens – in tegenstelling tot Van Oorschot – wel onpartijdig en zakelijk oordeelde, mal. Geef je eigen mening en argumenteer die.
C.A.J. VOGELS, Arnhem

Is economische groei nog wenselijk?
De Groene van 26 juni belooft veel: ‘Is economische groei noodzakelijk?’ Het artikel van Koen Haegens antwoordt op die vraag gelukkig: ‘Nee.’
Mijn vraag is echter: is economische groei nog wenselijk? Mijn antwoord: nee. Tenminste zolang economische groei gebaseerd is op uitputting van onze schaarse grondstoffen. We hebben immers te maken met een milieu- en een grondstoffenprobleem. Door de gevolgen daarvan hebben we een klimaatprobleem.
Op grond van metingen van de ecologische voetafdruk en van de CO2-uitstoot overvragen we de aarde met veertig procent of meer, en zijn we domweg genoodzaakt ons grondstoffengebruik drastisch te verminderen. Ook onze Kyoto-verplichtingen dwingen ons hiertoe. Milieuvriendelijk verbruik moet dus een harde randvoorwaarde voor de economie zijn. Het milieu quoteren, zoals energie op de bon.
QUINTIJN HOOGENBOOM, Oosterbeek