Post

Post

Sex
Omdat de foto’s op pikante blaadjes vijftig jaar geleden niet geschikt werden geacht voor jonge ogen werd het omslag met een papierstrookje afgedekt. Omdat het omslag van uw seksnummer (10/17 juli) niet geschikt is voor mijn oude ogen, plak ik er nu zelf een strookje papier over.
WOUTER BEEKMAN, Naarden

Roger Scruton
De erudiete denker Roger Scruton begaat (De Groene Amsterdammer, 10/17 juli) een fout die conservatieven wel vaker begaan: hij ziet progressieven als dogmatici die het zonder meer met hem oneens zouden zijn. Toch kan ik, als progressief persoon, wel degelijk onderbouwen waarom zijn visie op homoseksualiteit mij tegen de borst stuit. Scruton lijkt (mannelijke) homoseksualiteit in de eerste plaats gelijk te stellen aan puur lichamelijke lust. Bovendien wenst hij dit beeld geenszins te beperken tot wat zich afspeelt in een paar troosteloze sauna’s, die ‘uitwassen’ van ‘de mannelijke homocultuur’.
Daarmee verliest de filosoof om te beginnen uit het oog dat zijn betoog eigenlijk handelde over (homo)seksuele liefde. De vraag of je van een man of van een vrouw een stijve krijgt is daarbij niet onbelangrijk. En dat is natuur, niet cultuur. Ten tweede: vele mannen onderhouden langdurige, liefdevolle relaties met andere mannen. Zou het Scruton ontgaan zijn dat homo’s tegenwoordig zelfs trouwen? Ik zou verwachten dat hij dat, als conservatief, toejuicht.
ARNOLD MIDDELBERG, Groningen

De onderklasse
In de special Wie bekommert zich om de onderklasse (3 juli) betoont Colet van der Ven zich met haar zware kritiek op Theodore Dalrymple, auteur van het geruchtmakende boek Leven aan de onderkant, een fundamentalistische aanhangster van de theorie der omgevingsfactoren. Waar Dalrymple af wil van het vooral door links gepropageerde slachtoffermodel haalt Van der Ven de inmiddels tot cliché verworden ‘waarheden’ weer eens te voorschijn. Daarbij is zij in haar kritiek niet alleen inconsequent, ook maakt ze wel heel selectief gebruik van tekstfragmenten uit Leven aan de onderkant. Dalrymple is de ene keer iemand die de wisselwerking tussen aanleg, opvoeding en milieu nauwelijks van belang acht, dan weer wordt middels een citaat die conclusie gelogenstraft. Dat Dalrymple omgevingsfactoren niet als een onontkoombare determinant wenst te zien, daarin zit voor Van der Ven het venijn. Een venijn dat groeit als de voormalig psychiater het over willens en wetens heeft wanneer iemand voor de zoveelste keer in de fout gaat. Men kan immers lering trekken uit zijn daden. Zo niet bij Van der Ven. In haar visie moet er eerst een rolmodel zijn of zijn geweest die dat voorleeft. En tja, die zijn er in de onderklasse nu eenmaal niet. Dat Dalrymple daaraan voorbijgaat maakt hem kil en liefdeloos, iemand zonder mededogen, aldus de schrijfster.
Van der Ven begrijpt de crux van Dalrymple’s boek niet. Die luidt dat met name de linkse elite de onderklasse heeft opgezadeld met allerlei vormen van het progressieve laissez-faire-gedachtegoed, iets dat desastreus heeft uitgepakt binnen de onderste regionen van de maatschappij. In die zin wordt een rolmodel door Dalrymple niet ontkend, het wordt alleen als cultuurinvloed gepresenteerd. Om eens een oud gezegde te gebruiken: het zijn alleen de sterke benen die de weelde van de vrijheid kunnen dragen. Dalrymple wenst een elite die zijn normatieve voorbeeldfunctie verstaat, en die tegelijk wijst op het nemen van de eigen verantwoordelijkheid, hoeveel moeite dat aan de onderkant ook kan kosten. Dat getuigt eerder van respect dan van liefdeloosheid.
ROEL VISSER, Delft