Post

Post

Porno
Uit ‘Zeg iets moois tegen elkaar’ (De Groene Amsterdammer, 9 juli) rijst het volgende beeld van de vrouwelijke seksualiteit op: de vrouw anno 2009 vrijt met zichzelf. Zij masturbeert met behulp van seksspeeltjes en zij kijkt in haar eentje naar ‘vrouwvriendelijke pornofilms’. Om meer over erotiek te leren gaat zij te rade bij ‘zakenvrouwen uit de wereld van de feminiene erotiek’, die ‘vertellen over hun succesvolle business’. Eindconclusie is dat vrouwen niet zielig zijn. Zij kennen hun individuele soevereiniteit en keuzevrijheid. Ergo, de vrouw heeft geen Ander nodig; zij doet alles Zelf, inclusief seks. Zo vrijgevochten en zelfstandig is zij tegenwoordig.
Zo werkt het niet. Voor goede seks heb je de Ander nodig. Het draait niet alleen om lichamelijk genot of ‘individuele soevereiniteit’. Zoals Roger Scruton het formuleert (p. 16): ‘In seksueel verlangen zit een intentionaliteit die niet bevredigd is met de seksuele daad. Het gaat verder, naar een verlangen tot vereniging met de Ander.’ Een workshop ‘goede seks’ zou moeten gaan over intimiteit, overgave, wederkerigheid en gelijkwaardigheid. Geen van deze elementen speelt een rol in de seks-business. Niet in prostitutie, niet in pornofilms en niet in de aankoop van seksartikelen. Ik vind het ironisch dat een groep vrouwen die zich ten doel heeft gesteld zich ‘optimistisch in te zetten voor de positie van de vrouw’ een beeld van vrouwenerotiek schetst waarin vertegenwoordigers van de seksindustrie als expert optreden. De seksindustrie is altijd – juist door feministen! – als uitermate vrouwonvriendelijk beschouwd. Het lijkt paradoxaal dat hedendaagse feministen de seksindustrie omarmen en haar werknemers als rolmodel kiezen, zogenaamd als teken van ultieme vrijgevochtenheid en gelijkheid aan de man. Doen alsof zij uit hoofde van hun professie de sleutel tot goede seks en erotiek bezitten is niet alleen bewijs van de doorgeschoten seksualisering van de samenleving maar ook oorzaak, gevolg en uitwas.
FRÉDÉRIQUE SMINK, Den Haag

Cordon spectaculaire
In ‘Het cordon spectaculaire’ (De Groene Amsterdammer, 26 juni) betoogt Rob Wijnberg dat vervolging en (mogelijk) veroordeling van Geert Wilders het grootste cadeau is dat hij zich kan wensen. Zijn ideeën zouden zo een ‘vele malen groter en reëler gevaar’ vormen dan het gevaar dat we van de film Fitna te duchten hadden. Waarom? Omdat de rechtszaak ‘de hele wereld over [zal] gaan’ en zal worden ‘afgeschilderd als een politieke terechtstelling’. Tja. Wat is nu in essentie het verschil met de periode waarin gezagsdragers probeerden Fitna tegen te houden, of met het moment waarop Wilders voor het eerst persoonsbeveiliging kreeg? In alle gevallen is Geert Wilders het middelpunt van de belangstelling en steeds weer is hij de underdog. De wilde scenario’s van Wijnberg dragen volgens mij meer bij aan de (torenhoge?) toekomstige zetelaantallen voor de PVV dan de rechtszaak zelf.
J. LAROS, Amsterdam