Post

Post

Correctie 35

In het commentaar «De sigarendoos van het cda» (De Groene Amsterdammer, 25 augustus) wordt melding gemaakt van «de nacht van Cyaan Iris Mali».

Dit was geen flauwe grap, dit was erger: een reeks klassieke typefouten. Er had uiteraard moeten staan «de nacht van
Ayaan Hirsi Ali».

De Redactie

Pol Hoste

«Beter is het er helemaal niks over te schrijven.» Zo eindigt Kees ’t Hart zijn literaire column (De Groene Amsterdammer, 25 augustus) over de laatste roman van Pol Hoste. Maar waarom dan toch je stukje publiceren? Wat heeft de _Groene-_lezer daaraan? De lezer wil informatie, geen gekoketteer met het onvermogen van een bespreker om een tekst te recenseren.

Door via een ander genre – column – de conventies van een recensie te negeren benadeelt hij zowel de lezer (gebrek aan informatie) als de auteur (gebrek aan argumenten voor een negatief oordeel).

Het gaat al mis in de eerste zin: «Pol Hoste introduceert in de documentaireroman Een dag in maart een onderzoeker die hij Passant noemt.» ’t Hart doet alsof Een dag in maart uit de lucht komt vallen. Natuurlijk hoeft hij niet alle boeken van Hoste sinds diens debuut in 1974 te kennen, maar in ieder geval wel De lucht naar Mirabel (1999) en Montréal (2003). Beide titels worden bovendien op de achterflap door de uitgever genoemd, en zeker de laatste zou bij een recensent een bel doen rinkelen omdat Een dag in maart immers in deze stad speelt. Deze drie romans vormen een trilogie met dezelfde personages – Passant en Traveller – en vergelijkbare locaties. Waarbij Passant een literair alter ego is van Hoste zelf.

Zelfs wie de twee voorgaande delen niet heeft gelezen, krijgt snel door wat de thematiek van Een dag in maart vormt. België, tweetaligheid, Vlaanderen, Gent en de gênante positie van Congolese zwarten. Canada, tweetaligheid, Québec, Montréal en de gênante positie van indianen (native Canadians). Een (soms ook letterlijke) zoektocht naar de culturele nucleus van een stad/staat. Met als obstakel de (culturele) bureaucratie. Die queeste naar een culturele identiteit is natuurlijk gewoon een «verhaal», maar kennelijk niet wat ’t Hart in zijn column daaronder verstaat.

Unfair is dat ’t Hart wel degelijk meer over Pol Hoste blijkt te weten dan uit de lectuur van Een dag in maart valt af te leiden. De literatuuropvattingen van de auteur bijvoorbeeld, die hij op een karikaturale wijze reconstrueert. De lezer zou beter zijn geïnformeerd door het motto dat Hoste aan Laurence Sterne ontleende voor Montréal. Of door literatuuropvattingen die hij in Foto’s met de aap (1997) ten beste geeft.

Recenseren is een vak, een specialisatie zelfs. Want wie nog nooit een thriller heeft gelezen, nog nooit over de problemen van dat genre heeft nagedacht, niets weet van de ontwikkelingen die het in de loop van de tijd heeft doorgemaakt, kan geen recensie schrijven van de nieuwe Thomas Ross. Al kan hij wellicht naar aanleiding van zo’n boek een leuk stukje schrijven, waarin zelfs zinnige opmerkingen kunnen staan.

Dat geldt eveneens voor het subgenre waarin Hoste zich beweegt.

AUGUST HANS DEN BOEF, Amsterdam