Post

Post

Arabisten

Naar aanleiding van het artikel «Slappe knieën» van Margreet Fogteloo (De Groene Amsterdammer, 30 juni) het volgende. Al bijna twintig jaar lang schaf ik voor de Universiteitsbibliotheek Leiden vakliteratuur aan op het gebied van het Arabisch, de Arabische cultuur en de islam. De grote angstdroom is daarbij dat je een belangrijke geleerde over het hoofd ziet.

Korte tijd geleden leek die nachtmerrie uit te komen in de persoon van Pieter van der Horst, nota bene een landgenoot, die ongezouten kritiek had op de islam en de moslims in het algemeen en de Nederlandse islamologen in het bijzonder. Wie was de islamoloog Van der Horst en wat had hij geschreven? Ik deed wat elke arabist of islamoloog in zo’n geval hoort te doen en raadpleegde de Index Islamicus, een gezaghebbende online-bibliografie geredigeerd door de School of Oriental & African Studies in Londen en uitgegeven door de academische uitgeverij Brill in Leiden. Mijn zoekactie leverde echter geen publicatie op. Hij verkeert daarbij overigens in het goede gezelschap van iemand als Leo Kwarten, wiens geschriften over de islam ook (nog) niet tot de heilige hallen van de wetenschap zijn doorgedrongen.

Mogelijk voert de Index Islamicus een uitsluitingspolitiek ten opzichte van islam_-bashers,_ maar dat idee wordt weer gelogenstraft door de 39 hits op naam van Hans Jansen. Geen enkele anti-islamoloog brengt het echter zo ver als de «softies» P.S. van Koningsveld en Ruud Peters, die met 58 en 68 publicaties genoteerd staan.

Het lijkt erop dat Van der Horst geen islamoloog is, maar dat hij zich druk maakt over de islam. Misschien maakt Van der Horst zich ook druk over gft-afval of mollen in de tuin. Daarmee is hij echter nog niet een milieudeskundige.

Van der Horst doet zijn uitlatingen niet als wetenschapper maar als burger, en daarmee behoren zijn uitspraken exclusief tot het domein van de politiek, waar de nuancering en de afstandelijkheid van de wetenschap geen rol spelen. Daarbij wil hij uiteraard dat zijn stem gehoord wordt en hij weet ook wel dat een katheder in een universiteitsaula een effectiever middel is dan een zeepkist in een park. Daarmee boft hij, maar wie zal hem die mogelijkheid ontzeggen? Het had hem gesierd als hij zijn dubbele rol expliciet had gemaakt. Dat de Utrechtse rector magnificus echter vanuit zijn managementperspectief een ondergeschikte dwingt zijn woorden in te trekken gaat te ver, en toont eens te meer de grote verschuiving in het hoger onderwijs van wetenschap naar management.

ARNOUD VROLIJK, Leiden

Arjan Peters

In Literatuur [De Groene Amsterdammer] (23 juni) stond een verhelderend vraaggesprek met criticus Arjan Peters. Zijn werkwijze blijkt op het volgende neer te komen. Raakt hij in een opgewekte stemming bij het lezen van een verhaal of roman, dan belicht hij van zijn lectuur de sterke kanten. Wordt daarentegen zijn ergernis door het een of ander gewekt, dan kan er onmogelijk nog een aardige zin of gedachte in hebben gestaan.

Het past mij niet om een oordeel te vellen over het uitgangspunt van deze methode, want de psyche van Peters is zowel onpeilbaar als privé. Wel zou ik een kanttekening willen plaatsen bij zijn argumentatie, voorzover hij de pretentie koestert dat deze ook maar enigszins op gepubliceerde, en dus voor iedereen controleerbare teksten is gebaseerd. Peters breekt namelijk in dit vraaggesprek de staf over de jury van de Librisprijs, die onlangs waagde geheel tegen zijn uitdrukkelijke wens de roman Waar was je nou van K. Schippers van een bekroning te voorzien. Dit affront kwam volgens Peters voort uit gebrek aan enthousiasme en uit gemakzucht.

Het eerste is een veronderstelling, die alleen maar hartgrondig tegengesproken kan worden. Voor het tweede, die gemakzucht, voert hij als bewijs de tekst van het juryrapport over Schippers aan. «Als hij wordt geprezen», zo schampert Peters, «dan wordt er alleen maar geciteerd.»

Wat ook de feilen van dit rapport mogen zijn, niet deze. Er staat namelijk geen enkel citaat in. Niet één.

H.M. VAN DEN BRINK, lid van genoemde jury, Amsterdam