Post

Totalitaire afwijking

In Aart Brouwers essay «Het maakbare geluk» (De Groene Amsterdammer, 14 juli) tref ik de volgende bewering aan: «Ernst Schumacher ontvouwde in zijn boekje Small is Beautiful (1973) denkbeelden over de menselijke omgang met de natuur die ontleend leken te zijn aan zijn jonge jaren in de Hitler Jugend, inclusief een Teutoonse obsessie voor oerbossen, vruchtbare aarde en een idyllisch dorpsleven.» Waarna hij vervolgt: «Waar kwam toch die totalitaire afwijking vandaan die bij zoveel wereldverbeteraars…» et cetera.

Ik hoop maar dat de rest van het essay iets beter gefundeerd is dan deze notoire onzin. E.F. Schumacher werd in 1910 in Bonn geboren, studeerde politicologie en economie in Oxford tot 1932, en vervolgens aan Columbia University in New York. Na een kort verblijf terug in Duitsland emigreerde hij in 1937 definitief naar Engeland wegens zijn bezwaren tegen het nazi-bewind. Welke «jonge jaren» zou deze man hebben doorgebracht bij de Hitler Jugend?

Na 1945 had Schumacher diverse adviesfuncties, onder meer van de Britse controlecommissie die zich bezighield met de wederopbouw van Duitsland, verder als adviseur voor de Engelse Staatsmijnen, en binnen de VN als rapporteur omtrent ontwikkelingssamenwerking. Niet bepaald functies die worden toebedeeld aan al te zweverige figuren.

Ten slotte heb ik het boek er nog eens bij gepakt. Het bevat een aantal interessante, nog steeds zeer leesbare kritische beschouwingen over economie, ontwikkelingssamenwerking, arm en rijk, energie- en grondstoffenuitputting, et cetera. Ik heb naarstig gezocht naar Teutoonse obsessies. Ik ben daar, geloof ik, tamelijk overgevoelig voor, maar ik heb ze niet gevonden. Ik denk dat Brouwer een ander boekje bedoelt en een andere auteur. Voortaan zulke dingen toch maar even goed nakijken.

BRAM VAN DER LEK, Dieren

Vorm en inhoud

In het artikel over de betekenis van poëzie (De Groene Amsterdammer, 28 juli) geeft Bas Belleman de raad een gedicht actief te lezen. De lezer zou de betekenissen los moeten maken uit het gedicht. De inhoud is echt «meer dan de anekdote». Het betoog is helder zolang het de inhoud betreft, maar wordt mistig als de vorm ter sprake komt. De schoen wringt bij: «Vorm en inhoud zijn één (…) maar dit helpt de lezer niet verder.»

Stel dat vorm en inhoud inderdaad een twee-eenheid zijn. In dat geval heeft de dichter een mal op maat gemaakt waarin zijn dichterlijke idee zo goed mogelijk past. Heeft de schrijver vervolgens vergelijkbare invallen, dan worden de mallen vernieuwd. Er ontstaan variaties op een thema. Genereert de lezer in deze situatie zelf betekenissen en negeert hij de vorm, dan gaat hij voorbij aan de betekenissen waarvoor de dichter een vorm heeft gecreëerd. De actieve lezer doet er dan ook goed aan de inhoud uit de vorm te destilleren. Het artikel eindigt met: «Waar inhoud is, moet je hem niet negeren.» Het zelfde geldt voor de vorm van een gedicht.

ROSELLA HUBER-SPANIER, Rhenen

Tsjechië

Zo gek was die pootje badende man aan de Middellandse Zee nog niet om juist Tsjechië op de kaart aan te wijzen toen hem gevraagd werd waar hij zich bevond (Menno Hurenkamp, De Groene Amsterdammer, 4 augustus). Er zijn er wel meer geweest die er zo over denken. Ooit moest ik toneelmuziek schrijven bij The Winter’s Tale van William Shakespeare en alleen al vanwege de locatie had één bepaalde scène mijn directe belangstelling: Act three, scene III. Bohemia. The sea-coast.

MAURICE HORSTHUIS, Amsterdam