POST

POST

Opheffer

In zijn reactie op de column van Bas Heijne in NRC Handelsblad berijdt Opheffer (De Groene Amsterdammer, 29 september) andermaal zijn stokpaardje: de vrijheid van meningsuiting. Hij suggereert dat het recht op beledigen een vrijheid van meningsuiting is. Beledigen heeft volgens mij eerder te maken met een vorm van onmacht dan met het uiten van een mening en sluit bovendien elke verdere discussie en dus mogelijkheid tot toenadering uit. Bij een uitwisseling van meningen bestaat de mogelijkheid argumenten te wisselen en wellicht in te wisselen. In gesprek blijven is daarbij van wezenlijk belang. Op het moment dat het beledigen (met alle vaagheden omtrent regels, uitwerking en intentie) een rol gaat spelen in het publieke debat is de discussie dood. Mensen, zoals Theo van Gogh, met een sterke maatschappelijke betrokkenheid hebben de plicht na te denken over hoe zij hun mening over het voetlicht brengen. Humor is een belangrijk ‘wapen’ in een woordenstrijd en dwingt tot relativering. Maar humor, uitsluitend ten koste van – hoe spitsvondig ook – levert juist geen bijdrage. Kunnen zeggen wat je denkt, betekent niet dat dat ook moet. Vrijheid van meningsuiting is soms ook de vrijheid hebben om niet iets te zeggen. Dat er fanatiekelingen op de wereld rondlopen, die graag hun religieuze, politieke of economische gelijk willen opdringen is ernstig genoeg en mag niet onderschat worden. De enige weliswaar moeizame manier om daaraan het hoofd te bieden is een dialoog, waarin vrijheid van meningsuiting, humor, reflectie en respect (jawel) de belangrijkste instrumenten zijn.

JAN HOLLANDERS, Amsterdam

Hurenkamp

Menno Hurenkamp schrijft wekelijks scherpzinnige artikelen in De Groene Amsterdammer. Dan neemt hij deel aan een marathon en denkt dat hij over ‘Unter der Linden’ liep en niet over Unter den Linden. Zou Midas Dekkers toch gelijk hebben?

JOHN DUBOIS, Gilze